#herkomst woorden


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je moet de administratie nog bijwerken, de vaatwasser uitruimen of op maandagavond naar een verplichte netwerkborrel, en werkelijk álles in jou schreeuwt: "Nee!" We zeggen dan dat je 'er een broertje dood aan hebt'. We gebruiken de uitdrukking al decennia voor een grondige hekel, een diepe afkeer of een vurige allergie voor een specifieke taak of situatie. Maar waarom slepen we onze familieverhoudingen en een tragisch sterfgeval erbij om een alledaagse ergernis uit te drukken? Tijd om de medische historie van vroeger in te duiken en deze duistere gezinsmetafoor te ontrafelen.[/intro]

Infectieziekten

Wie denkt dat het 'broertje' in deze uitdrukking slaat op een vervelend jonger broertje waar je als kind ruzie mee had, zit er flink naast. De oorsprong voert ons helaas terug naar de rauwe werkelijkheid van eeuwen geleden: hoge kindersterfte en dodelijke infectieziekten.

Vroeger overleden veel kinderen op schrikbarend jonge leeftijd aan ziektes als cholera, tyfus, pokken of roodvonk. Als een gezin door zo'n tragische ziekte een kind verloor, sprak men dus over 'een broertje die aan een ziekte is overleden.'

Afkeer

De ziekte die het kind had geveld, boezemde de nabestaanden uiteraard een gigantische angst, afkeer en angstvallige hekel in. 'Een broertje dood hebben aan [een ziekte]' sloeg oorspronkelijk dus heel concreet op de specifieke kwaal waaraan het jonge familielid was gestorven. Vroeger was trouwens ook de variant "daar heb ik een broer aan verloren" heel gewoon!

Alledaagse ergernis

In de loop van de negentiende eeuw veranderde de betekenis van een 'angstaanjagende dodelijke ziekte' naar een hele sterke, figuurlijke afkeer. De volksmond nam de heftige zegswijze over om aan te geven dat je voor iets net zo'n diep gewortelde afkeer voelde als voor een vreselijke kwaal. Varianten werden soms zelfs gekscherend aangedikt met: "Ik heb er een hele familie aan dood!"


De epidemieën en de schrikbarende kindersterfte hebben we dankzij de moderne geneeskunde ver achter ons gelaten. Maar de uitdrukking is als spoor in onze taal behouden gebleven.

Dus de volgende keer dat jij er een broertje dood aan hebt om de dozen naar het oud papier te brengen, weet je dat je een vrij heftige historische vergelijking van stal haalt. Gelukkig blijft het nu gewoon bij een saai klusje op de to-dolijst.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Een bedrijf besluit een verouderd computersysteem te vernieuwen, maar wist per ongeluk ook het complete, feilloze klantensysteem dat al twintig jaar perfect werkte. Of je besluit je kledingkast eens flink op te ruimen, maar doneert in je enthousiasme ook die splinternieuwe winterjas die je net gisteren had gekocht. We zeggen dan dat je 'het kind met het badwater weggooit'. Het is onze favoriete uitdrukking voor situaties waarin je, in een poging om iets slechts te verwijderen, per ongeluk ook het allerbeste en meest waardevolle weggooit. Maar waar komt dit nogal lugubere beeld vandaan? Tijd om de emmer erbij te pakken en terug in de tijd te reizen.[/intro]

De mythe

Wie op internet zoekt naar de herkomst van deze uitdrukking, stuit al snel op een zeer populair historisch verhaal. In de middeleeuwen zouden gezinnen zich achter elkaar in hetzelfde badwater wassen. Eerst de heer des huizes, dan de vrouw, daarna de kinderen en als allerlaatste de baby. Tegen de tijd dat de baby aan de beurt was, zou het water zo vies en ondoorzichtig zijn dat de moeder het kind bij het leeggooien van de tobbe over het hoofd zag.
Het is een hilarische en hardnekkige anekdote, maar taalkundigen en historici zijn er duidelijk over: dit is een mythe. Mensen in de middeleeuwen waren heus niet zo achterlijk dat ze een complete baby vergaten in een badkuip, hoe vies het water ook was.

Duitse herkomst


De werkelijke herkomst is veel simpeler: het is een eeuwenoude, bewuste hyperbool (een extreme stijlvorm van overdrijving) om aan te tonen hoe dom een bepaalde actie is. De uitdrukking is van oorsprong Duits ('das Kind mit dem Bade ausschütten') en dook al in 1512 voor het eerst op in een satirisch boek van de schrijver Thomas Murner. In de zeventiende eeuw werd de uitdrukking door de filosoof Johannes Amos Comenius in het Nederlands geïntroduceerd.

Radicaal

De uitdrukking was destijds bedoeld als een absurde, spottende vergelijking. Iedereen snapt dat badwater na een wasbeurt vies is en weg moet. Maar een kind is het meest waardevolle bezit dat je hebt. De volksmond bedacht dit overdreven, schokkende beeld om te laten zien dat iemands aanpak zó ondoordacht en radicaal is, dat het middel vele malen erger is dan de kwaal.


In de loop der eeuwen zijn onze hygiënische standaarden behoorlijk verbeterd en hebben we stromend warm water uit de kraan, maar de waarschuwing voor overhaaste beslissingen bleef onveranderd populair.

Dus de volgende keer dat een collega tijdens een brainstormsessie voorstelt om een compleet project te schrappen omdat één klein onderdeel niet werkt, weet je precies wat je moet zeggen. Rem diegene even af en zorg dat het kind veilig op het droge blijft. Wel zo gezellig, en het scheelt een hoop taalkundige brokken.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je scrolt door het nieuws en ziet binnen één seconde een hilarische taalvout in de kop staan. Of je leest een officieel contract door en pikt er meteen die ene geniepige tikfout uit die iedereen over het hoofd zag. We zeggen dan dat je 'bij de pinken bent'. We gebruiken de uitdrukking al sinds de negentiende eeuw om aan te geven dat iemand alert, gevat, bijdehand of snel van begrip is. Maar wat heeft de kleinste vinger aan je hand in hemelsnaam te maken met je intellectuele scherpte?[/intro]

Bargoens

Het korte antwoord: helemaal niets! In geen enkel geval verwijst de uitdrukking naar de pink aan je hand. De échte oorsprong ligt namelijk in een heel andere hoek: de middeleeuwse geheimtaal van dieven en landlopers (het Duitse Rotwelsch en ons eigen Bargoens).

In die schimmige onderwereld was Pinke of pink het woord voor 'geldbuidel' of 'geld'. Het woord was waarschijnlijk een klanknabootsing (onomatopee) voor het klinken van munten; exact de oorsprong van het woord 'pingping' dat sommigen vandaag de dag nog steeds gebruiken.

Op de kleintjes letten

Wie vroeger 'bij de pinken was', lette letterlijk heel goed op zijn geldzak. Je zorgde er simpelweg voor dat zakkenrollers er niet mee vandoor gingen. In Groningen en Vlaanderen betekende de uitdrukking dan ook lange tijd 'zuinig zijn' of 'op de kleintjes letten'. Maar hoe veranderde dat op je centen letten in intellectuele scherpte?

Bijdehand

Wie goed op z'n geld wilde passen, moest natuurlijk continu ontzettend wakker en alert zijn. Onder invloed van de uitdrukking 'bijdehand zijn' (wat oorspronkelijk 'vroeg uit bed en paraat zijn' betekende) verschoof de betekenis in de negentiende eeuw definitief van de portemonnee naar het brein en dus van geld naar 'pienter, gevat en bij de les zijn'.

De Bargoense geldzakken zijn inmiddels uit ons straatbeeld verdwenen, maar de scherpte is gebleven. Dus de volgende keer dat jij die ene flinke taalvout als eerste opmerkt en iemand zegt dat je lekker bij de pinken bent, weet je dat je in de voetsporen treedt van waakzame voorouders. Je let niet alleen op de kleintjes, maar bent iedereen ook nog eens een stapje voor!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je hebt geïnvesteerd in een slimme cursus, een succesvol nieuw project opgezet of ooit op het juiste moment een aandeel gekocht. Een paar maanden later zie je de opbrengsten binnenstromen. In het Nederlands zeggen we dan dat die beslissing je geen windeieren heeft gelegd. We gebruiken deze uitdrukking al sinds de middeleeuwen wanneer iets iemand veel voordeel, winst of succes oplevert. Maar wat heeft een ei dat door de wind is gelegd in hemelsnaam te maken met financieel succes of een lucratieve zet? Tijd om het kippenhok in te duiken en de pluimvee-herkomst van deze uitdrukking te ontrafelen![/intro]

Wie bij 'windeieren' denkt aan paaseieren die door de storm over het erf waaien, zoekt in de verkeerde richting. De sleutel tot deze uitdrukking voert ons namelijk rechtstreeks terug naar de biologie van vogels en een oud volksgeloof.

Een 'windei' is een heel concreet, natuurlijk fenomeen: het is een ei zonder harde kalkschaal, dat alleen omhuld is door een zacht vliesje. Zo'n ei ontstaat wanneer een hen of vogel een tekort aan kalk heeft, of wanneer het eivormingsproces verstoord is. Omdat het vliesje heel teer is, breekt het ei vrijwel meteen en is het onbruikbaar voor de boer.

Bevruchting

Maar waar komt die vreemde naam 'wind'-ei vandaan? Onze voorouders snapten vroeger nog niets van kalktekorten of vogelanatomie. In de klassieke oudheid en de middeleeuwen geloofde men daarom dat hennen of vogels bevrucht konden worden door ... de wind! Een ei dat zonder de tussenkomst van een haan werd gelegd — en dus mislukt en onvruchtbaar was — werd toegeschreven aan de ijle lucht. Het Latijnse ovum venti (windei) verhuisde rechtstreeks naar onze taal.

Het leggen van een windei stond voor de boer dus gelijk aan waardeloze moeite: de kip heeft wel geperst, maar het levert niets op.

Vruchteloos

In de volkstaal werd een 'windei' daardoor al snel synoniem voor een teleurstelling, een waardeloze zaak of een vruchteloze inspanning. Wanneer iets je géén windeieren legt, zeg je ontkennend eigenlijk dat de moeite níét vergeefs was. Het levert juist een 'echt' ei op met een stevige schaal: een tastbaar, waardevol resultaat!

In de loop der eeuwen zijn we het oude geloof in windbevruchting gelukkig kwijtgeraakt, maar de ontkennende uitdrukking bleef als vaste succesformule overeind.

Dus de volgende keer dat een slimme keuze jou geen windeieren legt, weet je dat je in de voetsporen treedt van middeleeuwse pluimveehouders. Je staat niet met lege handen en een gebroken vliesje, maar met een prachtig, winstgevend resultaat!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je vraagt de klantenservice om een helder antwoord op je vraag, maar in plaats daarvan krijg je een ontwijkend standaardmailtje waar je precies niets mee kunt. Of je vraagt je leidinggevende om die beloofde opslag en hij scheept je af met een vaag praatje over "volgend kwartaal eens kijken". In het Nederlands zeggen we dan dat je met een kluitje in het riet gestuurd wordt. We gebruiken het al eeuwenlang wanneer iemand je met een smoesje afscheept of je aan het lijntje houdt. Maar wat heeft een pol aarde te maken met ontwijkend gedrag? Tijd om de laarzen aan te trekken, de polder in te duiken en de herkomst van deze afleidingsmanoeuvre te ontrafelen![/intro]

Wie bij deze uitdrukking denkt aan tuiniers die aarde in de sloot gooien, zoekt aan de verkeerde oever. De sleutel tot dit gezegde voert ons namelijk rechtstreeks terug naar de jacht op watervogels en de volksvermaak-spelletjes van onze voorouders.

Afleiding voor de hond

Wanneer onze voorouders een speelse hond wilden afleiden, gooiden ze zo'n kluitje aarde ver weg, zo tussen het hoge riet langs de waterkant. Het dier rende er enthousiast achteraan en verdween al snuffelend in de dichte rietkraag, om daar uren vergeefs te zoeken naar iets wat er helemaal niet lag. Ondertussen kon de gooier er stilletjes tussenuit knijpen of ongestoord verdergaan met zijn werk.

In de zeventiende eeuw verhuisde de truc van het hondenveldje naar de menselijke interactie. Schrijvers als Bredero en Cats gebruikten de uitdrukking toen al om afleidingsmanoeuvres te beschrijven. 'Iemand met een kluitje in het riet sturen' werd de vaste metafoor voor het geven van een nutteloze opdracht of een vaag antwoord, puur om diegene even bezig te houden en van je af te schudden.

Poldertraditie

In de loop der eeuwen zijn we de jachthonden en de modderbollen kwijtgeraakt, maar het gevoel blijft herkenbaar: je zoekt je een ongeluk in het riet, terwijl degene die het 'kluitje' gooide er stiekem vandoor is.

Dus de volgende keer dat een helpdesk je afscheept met een nutteloze standaardreactie, weet je dat je in een eeuwenoude poldertraditie stapt. Blijf niet tussen de rietstengels zoeken, maar eis gewoon een echt antwoord op!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je probeert al weken de fijne kneepjes van een ingewikkeld softwareprogramma te snappen, zwoegt op de uitspraak van een vreemde taal of probeert de perfecte pizzabodem te bakken. En ineens, na heel wat zweet en geploeter, snap je het. In het Nederlands zeggen we dan dat je 'het onder de knie hebt'. We gebruiken het al eeuwenlang wanneer we een vaardigheid, kunstje of kennis helemaal meester zijn geworden. Maar wat heeft je fysieke gewricht in je been in hemelsnaam te maken met je intellectuele vermogens of een opgebouwde vaardigheid? Tijd om de historische vechtmat op te stappen en de strijdlustige roots van deze uitdrukking te ontrafelen![/intro]

Wie denkt dat de uitdrukking te maken heeft met een schoolbankje waar je met je knieën onder zit te studeren, zoekt in de verkeerde hoek. De sleutel tot deze uitdrukking voert ons namelijk rechtstreeks terug naar de middeleeuwse gevechtskunst en de gewapende strijd.

In de tijd van ridders, worstelaars en lijf-aan-lijfgevechten was een gevecht pas écht beslecht als één van de twee strijders op de grond lag en zich niet meer kon bewegen. De winnaar klemde zijn tegenstander tegen de grond en zette letterlijk zijn knie op de borst, keel of rug van de verliezer. Wie zijn rivaal letterlijk 'onder de knie' had gedrukt, had de volledige controle, heerschappij en overwinning gegrepen. De verliezer was volkomen bedwongen en kon geen kant meer op. In het Middelnederlands en de zestiende eeuw werd 'iemand onder de knie krijgen' of 'dwingen' dan ook gebruikt in de heel concrete zin van: iemand fysiek overmeesteren, onderwerpen of verslaan.

Zoals dat zo mooi gaat in de taalgeschiedenis, verschoof deze keiharde vechtsportmetafoor in de zeventiende en achttiende eeuw van een fysiek naar een mentaal gevecht. Een ingewikkelde taak, een lastige taal of een ambacht werd gezien als een 'tegenstander' die je moest bedwingen. Als je de stof eenmaal doorgrond had en de materie beheerste, had je de taak figuurlijk 'onder de knie gekregen': je had het probleem gevloerd en de controle overgenomen!

De zwaarden en de worstelmatten hebben we inmiddels opgeborgen, maar de zegswijze is ijzersterk overeind blijven staan als hét symbool voor overwinning op een lastige vaardigheid.

Dus de volgende keer dat jij een ingewikkelde vaardigheid eindelijk onder de knie krijgt, weet je dat je in de voetsporen treedt van middeleeuwse overwinnaars. Je hebt die ingewikkelde stof niet gewoon geleerd, je hebt het figuurlijk tegen de mat gewerkt en de winst geclaimd!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je staat op het punt een nieuw contract te tekenen, zoekt een zakenpartner voor je briljante idee of besluit samen met een vriend een project te starten. In het Nederlands zeggen we dan dat je 'in zee gaat met iemand'. We gebruiken de uitdrukking dagelijks voor het aangaan van een samenwerking, een zakelijke overeenkomst of een maatschap. Maar wat heeft een frisse duik in de golven in hemelsnaam te maken met zakendoen en contracten tekenen? Tijd om de scheepsboeken in te duiken en de maritieme roots van dit zakelijke avontuur te ontrafelen![/intro]

Wie bij 'in zee gaan' denkt aan met je zwembroek aan de vloedlijn in rennen of pootjebaden in de Noordzee, zoekt in de verkeerde richting. De sleutel tot deze uitdrukking voert ons rechtstreeks terug naar de zeevaart en handel in de zeventiende en achttiende eeuw.

Delen van kosten en risico's

In de Gouden Eeuw was uitvaren op zee niet zomaar een reisje. Het was een hachelijk, risicovol én kostbaar avontuur. Één kapitein of handelaar kon een schip, de bemanning en de lading vaak niet in z'n eentje financieren. Bovendien was het risico op schipbreuk of piraterij veel te groot om alleen te dragen. Daarom zochten kooplieden compagnons om samen de kosten én de risico's te delen.

Wanneer men samen de financiering rond had en het schip daadwerkelijk de haven verliet, gingen de handelaren letterlijk en figuurlijk samen in zee. Ze vertrouwden hun kapitaal en toekomst aan elkaar toe op het open water.

Zee als metafoor

Het werkwoord 'gaan' had in combinatie met 'in zee' destijds dus de hele concrete betekenis van 'uitvaren voor de handel'. In de volksmond verschoof die scheepvaartterm al snel van de fysieke reis op het water naar de overeenkomst die eraan voorafging. 'In zee gaan met iemand' werd de vaste metafoor voor het aangaan van een gemeenschappelijke onderneming, waarin je samen het avontuur opzoekt en de risico's deelt.

De houten schepen hebben we inmiddels ingeruild voor kantoortuinen en Zoom-meetings, maar de maritieme overtuiging bleef overeind: wie samenwerking zoekt, monstert samen aan.

Dus de volgende keer dat jij de pennen pakt om een samenwerking te bezegelen en 'in zee gaat' met iemand, weet je dat je in de voetsporen treedt van avontuurlijke kooplieden. Zorg alleen wel dat je partner het hoofd boven water houdt!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je hebt wekenlang gezwoegd op een belangrijke presentatie, maar op de dag zelf klapt je laptop eruit, gooi je koffie over je witte overhemd én vergeet je de helft van je verhaal. Eenmaal thuis plof je op de bank en weiger je de komende 24 uur nog een voet buiten de deur te zetten. In het Nederlands zeggen we dan dat je in zak en as zit. We gebruiken het al eeuwenlang voor iemand die compleet terneergeslagen is, diep in de put zit of het even helemaal niet meer ziet zitten. Maar wat hebben een schurende jutezak en een hoopje verbrande houtskool in hemelsnaam te maken met klinkklare neerslachtigheid? Tijd om de geschiedenisboeken in te duiken en de eeuwenoude roots van dit dramatische tafereel te ontrafelen.[/intro]

Wie bij zakken en as denkt aan moderne vuilnismannen of een mislukte stookpartij in de open haard, zoekt in de verkeerde eeuw. Voor de herkomst van deze uitdrukking moeten we namelijk duizenden jaren terug in de tijd, ver vóór onze jaartelling, naar de Oudheid en de Bijbel. Daar vormden 'zak en as' hét ultieme ritueel voor diepe rouw, boetedoening en extreem verdriet.

In de bijbelse tijd (onder andere te vinden in boeken als Esther en Matteüs) was het gebruikelijk om je emoties bij een grote ramp of intense rouw extreem fysiek te uiten. Mensen trokken hun mooie, dagelijkse kleren uit en deden een zak aan. Dat was geen zak van papier of plastic, maar een kleed gemaakt van geitenhaar of hele ruwe jutestof (sakkos in het Grieks), dat vreselijk schuurde en krap zat.

Maar daar hield het drama niet op. Om hun opperste nederigheid en verdriet aan de wereld (en God) te tonen, gingen mensen letterlijk op de grond zitten, te midden van een berg kille as uit het vuur. Soms strooiden ze die zwarte as zelfs over hun eigen hoofd en kleren. Het symboliseerde de menselijke vergankelijkheid: je stelt niets voor, je bent weer teruggebracht tot stof en as.

Toen de Bijbel in de zestiende en zeventiende eeuw in het Nederlands werd vertaald (de bekende Statenvertaling), verhuisden dit soort krachtige beelden rechtstreeks naar onze alledaagse taal. Uitdrukkingen als 'in zak en as zitten' of 'in zak en as gaan' raakten ingeburgerd als de vaste metafoor voor iemand die gehuld is in diepe rampspoed.

In de loop der eeuwen is het fysieke ritueel van de geitenharen zak en de vuile as gelukkig verdwenen (stel je voor dat je zo op kantoor zou verschijnen!), maar de zegswijze bleef ijzersterk overeind.

Dus de volgende keer dat jij je even compleet verslagen voelt en mentaal in zak en as zit, weet je dat je in een eeuwenoude, theatrale traditie stapt. Je hoeft gelukkig geen zak van geitenhaar aan te trekken, maar een fijne joggingbroek en een warme kop thee doen gelukkig precies hetzelfde!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie heeft er op school tijdens een saaie les niet stiekem een rastertje in de kantlijn van zijn schrift getekend? Twee strepen verticaal, twee horizontaal, en spelen maar! In het Nederlands noemen we dit strategische spelletje van negen vakjes 'boter-kaas-en-eieren'. Het is een oer-Hollandse merknaam voor een spelletje dat zo simpel is dat je er alleen een pen en papier voor nodig hebt. Maar wie er langer dan drie seconden over nadenkt, raakt geheid in de war. Waar zijn die zuivelproducten? En waarom spelen we een tactisch spelletje met een boodschappenlijstje voor de koelkast? Tijd om het keukenkastje in te duiken en het mysterie achter deze naam te ontrafelen![/intro]

Wat in elk geval vaststaat, is dat het spelletje zélf stokoud is. Zelfs de Romeinen krasten op monumenten al rasters van drie-bij-drie in steen om hun terni lapilli (drie steentjes) te spelen, en in het oude Egypte werden vergelijkbare patronen in tempeldaken gegraveerd. In het Engels heet het sober tic-tac-toe (naar het geluid van de pen op papier) en in het Spaans kortweg tres en raya (drie op een rij). Maar waaróm kiezen wij in vredesnaam voor zuivel en pluimvee?

Over de precieze herkomst van onze Nederlandse naam doen historici en het Meertens Instituut geheimzinnig: een keihard sluitend antwoord is er simpelweg niet. Wel zijn er drie hele smakelijke theorieën die het raadsel verklaren:

1. Het rijmpje op het leisteentje

In het boek De Volksvermaken uit 1870 beschrijft historicus Jan ter Gouw dat kinderen het spelletje op school speelden op een leisteentje. Het heette toen opvallend genoeg nog 'boter, melk en kaas'. Wie drie op een rij had, eiste de overwinning op door triomfantelijk te roepen: "Boter, melk, kaas, ik ben de baas!" In de loop van de tijd is 'melk' waarschijnlijk simpelweg vervangen door 'eieren'.

2. De streep van de melkboer

Een andere bekende theorie verwijst naar de ouderwetse melkboer die met zijn hondenkar langs de deuren ging. In zijn notitieboekje stonden vaste kolommen voor de producten. Zag de melkboer dat een klant alle drie de producten (boter, kaas én eieren) wilde kopen? Dan zette hij in één snelle haal een dikke streep door alle drie de vakjes. Precies zoals de winnende streep in het spelletje!

3. Boerenluxe op het leisteentje

Andere taalkundigen denken dat de drie alledaagse keukentermen werden gekozen vanwege de vertrouwde, agrarische achtergrond van ons land. Boter, kaas en eieren waren vroeger dé basiselementen van de boerenkeuken. Kinderen schreven dit boodschappenlijstje toch al op hun leisteentje, en gebruikten de lege ruimte eromheen om hun kruisjes en nulletjes in te krassen.

Latijn op de boerderij

Mocht je trouwens denken dat dit een puur Hollands onderonsje is: taalkundig gezien is de naam een bonte verzameling van leenwoorden! Van het trio is alleen het woord 'eieren' een oer-Hollands 'erfwoord'. 'Boter' en 'kaas' hebben we in de Romeinse tijd simpelweg gepikt uit het Latijn (butyrum en caseus), toen de Romeinen ons de fijne kneepjes van de zuiveltechnologie kwamen uitleggen.

Kortom: of de naam nou is ontstaan door roepende kinderen, een ijverige melkboer of een boodschappenlijstje in de kantlijn... we zijn er massaal aan verknocht geraakt. Dus de volgende keer dat jij drie kruisjes op een rij zet en de winst opeist, weet je dat je een stokoude traditie hooghoudt. Je bent nu officieel 'de baas' van het bord!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Soms krijgt iemand nieuws te horen waar hij totaal niet van onder de indruk is. Waar de een moord en brand schreeuwt, haalt de ander stoïcijns zijn schouders op. In het Nederlands hebben we daar een heerlijk platte, plastische uitdrukking voor: 'dat maakt me de pis niet lauw'. We gebruiken het om aan te geven dat iets ons echt he-le-maal niks doet, of dat we ons er in elk geval niet druk om gaan maken. Maar wat heeft je lichaamstemperatuur – en dan specifiek die van je urine – in hemelsnaam te maken met totale onverschilligheid? Tijd om de biologie en de oude volkstaal in te duiken om dit warme mysterie te ontrafelen.[/intro]

Wie denkt aan een koelbloedige reactie, denkt al snel aan de temperatuur van ons lichaam. Biologisch gezien heeft urine bij het verlaten van ons lichaam altijd een vrij constante temperatuur: het is zo'n 37 graden, oftewel behaaglijk lauw tot warm.

Wanneer mensen zich enorm opwinden, kwaad worden of stress ervaren, schiet de hartslag omhoog, stijgt de bloeddruk en gaat de 'interne kachel' harder branden. In de oude volkswijsheid geloofde men dat heftige emoties je hele lichaam letterlijk deden opwarmen, tot aan je lichaamssappen toe.

Als je ergens niet van onder de indruk bent, gebeurt er in je lijf het tegenovergestelde: helemáál niets. Je hartslag blijft rustig, je spieren ontspannen en je interne thermostaat verschuift geen millimeter. De gedachte achter de uitdrukking is dus simpel: deze situatie wekt zó weinig emotie, opwinding of stress bij me op dat zelfs mijn urine er niet eens een fractie van een graad warmer (of lauwer) van wordt.

In de loop van de negentiende en twintigste eeuw werd deze medische volkslogica omgezet in een platte volksuitdrukking. Het was de ultieme, ietwat ruwe manier om te laten zien dat je je door niets of niemand van je stuk liet brengen.

Inmiddels is het een klassieker in ons vocabulaire voor de betere portie onverschilligheid, al kun je hem op kantoor wellicht beter inruilen voor 'dat laat me koud'.

Dus de volgende keer dat je collega op hoge poten vertelt dat de koffiemelk op is of dat het buiten zachtjes regent, weet je precies welke biologische knop er uit blijft staan. Je interne kacheltje blijft op de waakvlam, je blaast niet hoog van de toren én je houdt de temperatuur onder controle. Al kun je deze medische onderbouwing tijdens een sollicitatiegesprek wellicht beter vóór je houden!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je staat op het punt om stiekem de laatste doos chocolade uit de kantine te jatten, maar precies als je de kast opendoet loopt je baas de ruimte binnen. Of de leraar zoekt een vrijwilliger voor het schoonmaken van het scheikundelokaal en zijn oog valt nét op jou. In het Nederlands zeggen we dan met een diepe zucht dat je 'de sigaar bent'. We gebruiken het al meer dan een eeuw wanneer iemand de dupe is, pech heeft of een vervelende klus in zijn maag gesplitst krijgt. Maar wat heeft een bruine rol opgerolde tabak in hemelsnaam misdaan om symbool te staan voor pure pech? Tijd om de rookgordijnen op te trekken en te kijken waar deze uitdrukking écht vandaan komt.[/intro]

Wie denkt dat de uitdrukking te maken heeft met de bekende 'sigaar uit eigen doos' of met rijke industriëlen die genietend een dikke bolknak opstaken, moeten we helaas teleurstellen. De herkomst is een stuk minder chic, maar wel heel menselijk.

De uitdrukking duikt rond de eeuwwisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw voor het eerst op in het Nederlandse taalgebied, onder andere in de leger- en studententaal. Taalkundigen zijn er heel duidelijk over: het woord 'sigaar' was in de volksmond simpelweg een eufemisme voor het mannelijk geslachtsdeel.

Maar waarom ben je 'de lul' of 'de sigaar' als je pech hebt?

Dat heeft alles te maken met de vrij brute logica uit de vroege volkstaal. In de platte spreektaal en het zeventiende-eeuwse Bargoens (de geheimtaal van dieven en bedelaars) werd de daad van het penetreren al eeuwenlang gebruikt als metafoor voor iemand bedriegen, vernederen of overmeesteren. Zo betekende ons huidige, onschuldige woord 'foppen' vroeger simpelweg 'neuken' of 'beroven'. Iemand 'foppen' of 'naaien' betekende dus letterlijk: iemand te grazen nemen.

Degene die het incasseert, is de 'onderliggende' partij: het slachtoffer dat de klap opvangt. Als je pech had of de dupe was, was jij figuurlijk degene die de 'lul' of 'pik' van de situatie toegewezen kreeg. Omdat zulke termen in nettere kringen nogal rauw op het dak vielen, bedacht men een schertsende, wat beschaafdere 'dekmantel'. Aangezien een sigaar qua vorm, nou ja, vrij makkelijk aan dat specifieke lichaamsdeel deed denken, werd 'de sigaar zijn' de perfecte, nette vervanger.

Interessant genoeg is de sigaar niet het enige langwerpige voorwerp dat voor dit taalkundige trucje is gebruikt. Zo kennen we in ons land ook de uitdrukking 'de pisang zijn'. 'Pisang' is het Indische woord voor banaan, die waarschijnlijk om dezelfde reden als eufemisme diende.

De grote doorbraak via De Jantjes

Dat deze straattaal uitgroeide tot een alledaagse klassieker, hebben we mede te danken aan de gigantisch populaire Jordaan-operette De Jantjes van producent Herman Bouber uit 1922. Daarin zat een iconisch liedje met de tekst: “Als je verliefd wordt, dan ben je de sigaar" (kijk vanaf 0.15). Het toneelstuk werd zo’n immense hit dat heel Nederland het liedje ging meezingen. Vanaf dat moment is 'de sigaar zijn' voorgoed geaccepteerd én verankerd in onze taal.

In de loop van de twintigste eeuw raakte de oorspronkelijke, schunnige betekenis van het woord 'sigaar' bij het grote publiek op de achtergrond. Daardoor klinkt 'de sigaar zijn' tegenwoordig als een heel keurige, bijna nostalgische uitspraak die je prima op de werkvloer of bij je schoonouders aan tafel kunt gebruiken.

Dus de volgende keer dat jij de klos bent en het keukentje moet opruimen, weet je precies in welke schaduw je staat. Je bent niet het slachtoffer van een tabaksbedrijf, maar van een stokoude, creatieve taalkundige dekmantel die via het theater onze huiskamers binnenrolde. Dat maakt de schoonmaakbeurt niet leuker, maar je weet in elk geval wel hoe de vlag erbij hangt!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je hebt een heerlijk weekendje weg gepland, de koffers staan klaar en het zonnetje schijnt … totdat je auto opeens weigert te starten. Of je staat op het punt een belangrijk project op je werk af te ronden en precies op dat moment valt de stroom uit. In het Nederlands zeggen we dan dat er 'roet in het eten is gegooid'. We gebruiken deze uitdrukking dagelijks wanneer een prachtig plan op het allerlaatste moment wreed wordt verstoord. Maar waarom roet? En wie was er vroeger zo flauw om dat zomaar in iemands maaltijd te kieperen? Tijd om de pan op het vuur te zetten en de keuken van onze voorouders in te duiken.[/intro]

Voor de herkomst van deze uitdrukking moeten we terug naar de tijd waarin we nog niet kookten op strakke inductieplaten of een smetteloos gasfornuis. Vroeger kookten mensen boven een open vuur in de schouw. Boven die dampende vuurplaats hing een grote, gietijzeren pot waarin de maaltijd urenlang stond te pruttelen.

Die schouwen en schoorstenen waren verre van brandschoon. Aan de binnenkant verzamelde zich in de loop der tijd een dikke, zwarte laag taai roet en vette roetvlokken. Als de schoorsteen niet goed geveegd was, of als de wind ineens verkeerd op de schoorsteen sloeg, kon het zomaar gebeuren: een flinke klomp smerig, zwart roet kwam uit de pijp naar beneden zeilen en belandde rechtstreeks in de open kookpot.

Roet is niet alleen gortdroog en pikzwart, het smaakt ook nog eens ontzettend bitter en vies. Zelfs een heel klein vlokje roet was al genoeg om een complete pot kervelsoep of stoofvlees oneetbaar te maken. Je kon de hele maaltijd in één klap weggooien; het feestmaal was in één seconde over en uit.

In de zeventiende en achttiende eeuw verhuisde dit alledaagse keukendrama langzaam naar onze taal. 'Roet in het eten gooien' werd de vaste metafoor voor het verpesten van de pret of het bederven van een mooi vooruitzicht.
Inmiddels zijn de open vuurplaatsen uit onze keukens verdwenen, maar de uitdrukking blijft als een paal boven water staan. We gebruiken hem nu niet meer voor mislukte avondmaaltijden, maar voor elk onverwacht obstakel dat een streep door onze plannen zet.

Dus de volgende keer dat de regen je barbecue overvalt of een lekke band je dag verpest, weet je precies in welke keukensituatie je zit. Er is geen kok aan te pas gekomen, maar het resultaat is helaas net zo bitter. Smakelijk eten is er even niet meer bij!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je kent die momenten wel: de docent staat op het punt de uitslag van het zwaarste examen van het jaar voor te lezen, of de directeur neemt het woord tijdens een onverwachte crisisvergadering. Iedereen houdt massaal de adem in en de spanning is om te snijden. Op zo’n moment is het zo muisstil dat je een speld kunt horen vallen. Het is onze absolute favoriete uitdrukking om een ademloze, intense stilte te omschrijven. Maar waar komt deze klassieke vergelijking vandaan?[/intro]

Kaarsklok

Als je op internet rondspeurt naar de herkomst, stuit je al snel op een prachtig, historisch verhaal. Vroeger, toen er nog geen mechanische klokken bestonden, zouden mensen een speld in een kaars hebben gestoken. Terwijl de kaars langzaam opbrandde, smolt het kaarsvet rondom de speld. Zodra de vlam het juiste punt bereikte, viel de speld op de grond en wist je dat er een uur voorbij was. De uitdrukking zou weleens te danken kunnen zijn aan de stilte die nodig was om die 'kaarsklok' te horen.

Het is een fantastische anekdote, en het klopt ook dat monniken en wetenschappers in de middeleeuwen zulke kaarsen gebruikten om de tijd te meten. Maar als herkomst voor onze uitdrukking is het helaas een hardnekkig verzinsel. Die speld viel destijds namelijk niet zachtjes op de grond, maar kletterde met een duidelijke tik op een metalen schaal of tinnen bord waar de kaars op stond. Anders hoorde je de timer immers helemaal niet!

Akoestische test

De echte herkomst van deze uitdrukking is een stuk minder ingewikkeld, maar wel heel logisch. De uitdrukking is al eeuwenoud; onze grote dichter Joost van den Vondel schreef er in de zeventiende eeuw al over. De herkomst is puur gebaseerd op een akoestische test. Wat is het allerzachtste, meest fragiele geluidje dat je kunt bedenken? Een flinterdunne metalen speld die op een houten of stenen vloer tikt. In een normale ruimte met alledaagse omgevingsgeluiden is dat tikje volstrekt onhoorbaar. Pas wanneer een menigte zó alert en ademloos stil is dat werkelijk elk zuchtje wind of kuchje ontbreekt, krijgt de speld de kans om gehoord te worden.

Een vlieg horen vliegen

We zijn hierin trouwens niet uniek. Het idee was blijkbaar zo universeel dat de Engelsen het hebben over ‘you could hear a pin drop’ en de Duitsers zeggen ‘man konnte eine Stecknadel fallen hören’. De Fransen pakken het overigens nét iets actiever aan; die horen in een stille ruimte liever een vlieg vliegen (‘entendre voler une mouche’).

In de loop der eeuwen zijn we de ouderwetse naaispelden in het dagelijks leven steeds vaker gaan vervangen door ritsen en knopen, maar in onze taal blijft de speld onwrikbaar op zijn plek liggen. We gebruiken hem nog altijd voor die zeldzame momenten waarop de hele wereld heel even collectief de mond houdt.

Dus de volgende keer dat de kamer ineens angstaanjagend stilvalt na een gênante opmerking, weet je precies hoe de vlag erbij hangt. De akoestiek is er in elk geval helemaal klaar voor. Nu alleen nog hopen dat iemand de stilte snel weer durft te verbreken.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Het is de wet van Murphy in optima forma: je boekt een idyllische Airbnb in hartje Parijs, maar bij aankomst blijkt het een lekkende bezemkast zonder stromend water te zijn. Of je koopt een tweedehands auto die na exact tien kilometer met een sissende motor de geest geeft. In het Nederlands zeggen we dan dat je in de aap gelogeerd bent. We gebruiken het als de ultieme omschrijving voor de situatie waarin je ongewild in de nesten zit, een slechte deal hebt gesloten of simpelweg zwaar de sigaar bent. Maar wie was deze aap, en waarom hield hij er zo’n slechte hotelservice op na? Tijd om in te checken in het Amsterdam van de zestiende eeuw.[/intro]

De uitdrukking verwijst naar een heel specifiek en roemrucht etablissement aan de Zeedijk in Amsterdam: het Amsterdamse café en logement 't Aapje (tegenwoordig bekend als café In 't Aepjen).

Exotische souvenirs

In de zestiende en zeventiende eeuw was de Zeedijk dé plek waar zeelieden van over de hele wereld samenkwamen na maanden op de woeste oceaan. De eigenaar van dit specifieke logement nam van deze zeelieden, bij gebrek aan contant geld, weleens exotische souvenirs aan als betaling voor de overnachtingen en de drank. Zo raakte de herberg in de loop der jaren overvol met levende apen die de zeelieden uit verre koloniën hadden meegenomen.

Dat klinkt als een gezellige, tropische beestenboel, maar de werkelijkheid was een hygiënische nachtmerrie. De apen zaten onder de vlooien, luizen en andere parasieten, die vrolijk oversprongen op de houten bedden, de lakens en uiteindelijk ... op de gasten. Wie daar een nachtje sliep, lag de hele nacht te krabben en kwam gegarandeerd onder de beten en de jeuk weer naar buiten.

Ronselaars

Bovendien stond de herberg bekend om een nogal duistere praktijk: ronselaars van de VOC hielden er matrozen die hun herbergrekening niet konden betalen nauwlettend in de gaten. Wie diep in de schulden zat bij de waard, werd min of meer gedwongen om te tekenen voor een loodzware, gevaarlijke bootreis naar Oost-Indië om de schuld af te betalen.

Wie destijds dus 'in de aap logeerde', was in alle opzichten zwaar de klos: je zat onder de vlooien én je liep het risico de volgende ochtend wakker te worden met een verplicht enkeltje naar de andere kant van de wereld.

Het logement is tegenwoordig een prachtig, monumentaal café waar je gelukkig volkomen veilig een drankje kunt drinken, maar in onze taal blijft de waarschuwing voor een slechte slaapplaats of miskoop onveranderd populair.

Dus de volgende keer dat je na een miskoop baalt dat je in de aap gelogeerd bent, kun je in elk geval opgelucht ademhalen. Je bent misschien een paar tientjes kwijt, maar je hoeft de volgende ochtend tenminste niet verplicht de zeilen te hijsen op weg naar Batavia. En die vlooien? Die vallen tegenwoordig gelukkig ook reuze mee.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie vroeger weleens weigerde zijn kamer op te ruimen, zijn huiswerk te maken of de vaatwasser uit te ruimen, heeft vast weleens een waarschuwing naar zijn hoofd geslingerd gekregen, gevolgd door: “En knoop dat goed in je oren!” Het is de ultieme, dwingende uitdrukking om te zorgen dat iemand een boodschap nóóit meer vergeet. Maar als je er heel even letterlijk bij stilstaat, is het een bizar beeld. Hoe krijg je in hemelsnaam een stevige zeemanssteek of een simpele platte knoop in je eigen oorschelp? Is het een pijnlijke martelmethode van vroeger, of zit er een anatomisch geheim achter? Tijd om de oren te spitsen en te kijken hoe deze knoop destijds werd gelegd.[/intro]

Geen touw aan vast te knopen

Als we de historische woordenboeken erop naslaan, zien we dat deze uitdrukking pas in de loop van de negentiende eeuw voor het eerst opduikt. Nu denk je bij een knoop waarschijnlijk direct aan die klassieke knoop in je zakdoek, of een touwtje om je vinger. Zodra je die onnatuurlijke bobbel voelt, weet je weer: "o ja, ik moest nog melk meenemen." Maar je oren? Die kun je natuurlijk lastig dubbelvouwen. De werkelijke herkomst is dan ook een stuk anatomischer (en minder pijnlijk) dan je denkt.

Kraakbeen en oorvijgen

Taalkundigen (de ultieme feestbeesten onder de wetenschappers) hebben ontdekt dat de uitdrukking simpelweg verwijst naar de natuurlijke vorm van ons gehoororgaan. Je oorschelp zit namelijk vol met rimpels, plooien en kraakbeenknobbels die vroeger ook wel 'knopen' werden genoemd. Het 'knopen' uit de uitdrukking slaat dus op het gronden, prenten of stevig vastleggen van een verbale boodschap in de reeds bestaande plooien van het zintuig waarmee je luistert. Je stopt de informatie figuurlijk zo diep in de plooien van je gehoor dat het er nooit meer uit kan vallen – of het ene oor in en het andere oor uit kan gaan.

De uitdrukking heeft daarnaast waarschijnlijk een flinke tik meegekregen van onze oosterburen. In het Duits zeggen ze namelijk: ‘sich etwas hinter die Ohren schreiben’. Dat komt uit de tijd dat kinderen bij belangrijke officiële afspraken meekwamen als getuige. Om te zorgen dat ze de dag nóóit meer zouden vergeten, kregen ze ter plekke ... een flinke oorvijg. Auw. Dan bleef het wel hangen!

Digitaal knoopwerk

Inmiddels leggen we onze herinneringen vooral vast in digitale agenda’s en smartphone-notities, maar de denkbeeldige knoop in ons oor blijft onverminderd populair als taalkundig waarschuwingsschot.

Dus de volgende keer dat iemand je commandeert om een afspraak in je oren te knopen, hoef je niet direct bang te zijn voor plastische chirurgie of een middeleeuwse klap tegen je hoofd. Zie het maar als een historisch verzoek om de boodschap heel diep in je kraakbeen te parkeren. Wel zo veilig, en het scheelt een hoop fysiek knoopwerk.

Knoop dit dus goed in je oren: taal blijft verrassen!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Of je nu praat over het Nederlandse weer dat in de zomer best wel meevalt, of over je kat die negen van de tien keer keurig op de kattenbak gaat: als we een algemene inschatting maken, zeggen we al snel dat iets door de bank genomen wel klopt. We gebruiken het dagelijks als een synoniem voor ‘gemiddeld’, ‘over het algemeen’ of ‘meestal’. Maar over welke bank hebben we het hier eigenlijk? Is het die comfortabele plofbank in de huiskamer, de Rabobank op de hoek, of zit er een heel ander obstakel achter? Tijd om de administratie te openen en te kijken hoe deze rekensom precies in elkaar steekt.[/intro]

Wie bij het woord 'bank' direct denkt aan geldstromen of financiële instellingen, moeten we direct uit de droom helpen. Voor de herkomst van deze uitdrukking moeten we namelijk niet naar de Zuidas, maar naar de middeleeuwse markten en vroege rechtbanken. In die tijd was een 'bank' simpelweg een lange, houten zitbank of een houten toonbank waar kooplieden hun waren op uitstalden.

Op die markten ging het er vroeger nogal eens chaotisch aan toe. Als een handelaar bijvoorbeeld een grote partij vis, graan of lappen stof wilde verkopen, was de kwaliteit niet van elk los onderdeel exact hetzelfde. De ene vis was wat groter en vetter, de andere net wat kleiner. Om te voorkomen dat men over elke haring urenlang moest onderhandelen, werd er een slimme handelsmethode bedacht.

De koopman nam de hele partij goederen die op zijn houten toonbank lag in één keer samen. Hij keek naar de hele hoop, schatte de totale waarde en bepaalde zo een gemiddelde prijs voor de hele bups. De handel werd dus letterlijk 'door de bank', oftewel over de hele toonbank, als één partij 'genomen' (gekocht). Je betaalde niet voor de uitschieters, maar voor het gemiddelde.

In de zeventiende eeuw verhuisde deze praktische marktmethode langzaam naar onze dagelijkse taal. Het 'nemen' werd losgekoppeld van het kopen en kreeg de betekenis van 'beschouwen' of 'inschatten'. Als we iets 'door de bank genomen' bekijken, nemen we dus nog altijd figuurlijk de hele partij in één oogopslag mee om tot een gemiddelde conclusie te komen.

De houten marktkramen zijn inmiddels grotendeels vervangen door digitale webshops, maar onze taalkundige schatting blijft onveranderd overeind.

Dus de volgende keer dat je na een lange vergadering concludeert dat de plannen door de bank genomen best oké zijn, weet je dat je eigenlijk als een rasechte middeleeuwse marktkoopman staat te rekenen. Je kijkt niet naar die ene rotte vis, maar naar de hele kraam. En dat maakt het trekken van een conclusie direct een stuk overzichtelijker.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Na een zware lunch, tijdens een saaie zondagmiddag of net voor je aan de avonddienst begint: soms is er niets lekkerder dan even je ogen sluiten voor een kort middagdutje. In het Nederlands noemen we dat zo mooi een uiltje knappen. We associëren het nu met een heerlijk, onschuldig hazenslaapje. Maar waarom koppelen we onze rust aan een nachtvogel, en wat valt er in hemelsnaam aan zo'n beest te 'knappen'? Tijd om de wekker te zetten en te kijken wie hier de rust verstoort.[/intro]

Wie denkt dat we deze uitdrukking danken aan het feit dat uilen overdag weleens zitten te dommelen met hun ogen halfdicht, moeten we helaas uit de droom helpen. Dit is een klassiek voorbeeld van een volksetymologie: het klinkt logisch, maar historisch gezien klopt er niets van. De 'uil' uit deze uitdrukking vloog vroeger namelijk helemaal niet door het bos, maar fladderde rond in de textielnijverheid en de huishoudens van de zeventiende eeuw.

In die tijd was een 'uil' of 'uiltje' de volksnaam voor een heel specifiek type nachtvlinder of mot. Destijds wist men al dat de larven van deze insecten dol waren op wol en textiel, waardoor ze een enorme plaag vormden in kledingkasten en weverijen. Deze beestjes stonden erom bekend dat ze overdag volkomen stillagen op muren en stoffen of in kledingkasten, om pas in het donker actief te worden. Dat 'knappen' moeten we dan ook heel letterlijk nemen: het betekende destijds kraken, stukknippen of doodknijpen.

Als mensen overdag een rustende nachtvlinder of mot zagen zitten, grepen ze hun kans om het schadelijke ongedierte met hun vingers of een doekje dood te drukken: ze knapten een uiltje. Het 'uiltje knappen' werd al snel een handig eufemisme voor het doen van een dutje. Als je overdag stiekem zat te knikkebollen en werd betrapt, kon je immers vlot beweren dat je doodstil zat te wachten om zo'n roerloze mot te pletten.

In de loop der eeuwen verdween de betekenis van de nachtvlinder naar de achtergrond en dachten we bij een 'uil' automatisch aan de vogel met de grote ogen. Het fanatieke motten-pletten veranderde in onze taal zo langzaam in een vredig dutje.

Dus de volgende keer dat je na de lunch even wegzakt op de bank, weet je dat je historisch gezien eigenlijk op insectenjacht bent. Je bent geen luiaard; je bent in gedachten gewoon heel nuttig de textielvoorraad aan het beschermen. En met dat excuus slaapt het toch net even wat lekkerder.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je kent het wel: je bent al drie dagen flink verkouden, hebt de hele papieren zakdoekjesvoorraad van de supermarkt erdoorheen gejaagd en dán komt een vriend met de ultieme tip voor een wondermiddeltje. Tja, bedankt voor het meedenken, maar dat is mosterd na de maaltijd. We gebruiken deze uitdrukking massaal voor adviezen, oplossingen of opmerkingen die zo laat komen dat ze volstrekt nutteloos zijn geworden. Maar waarom kreeg mosterd vroeger de schuld van dit slechte timingprobleem? Tijd om het potje open te draaien en te zien waar Abraham de mosterd haalt.[/intro]

Voor de oorsprong van deze culinaire uitdrukking moeten we terug naar de middeleeuwen. In die tijd was mosterd niet zomaar een lekker sausje voor bij de bitterbal, maar een serieus hulpmiddel aan tafel. Men geloofde destijds heilig dat mosterd unieke, medicinale eigenschappen bezat die de spijsvertering een flinke hand hielpen bij het verwerken van zware, vette vleesgerechten.

Het was in de middeleeuwse keuken dan ook vaste prik dat de mosterd tijdens het diner op tafel stond. Je werd geacht je vlees erin te dopen, zodat je maag direct aan het werk gezet kon worden. Als de kok of de bediende echter te laks was en het potje mosterd pas kwam brengen als de borden al waren afgeruimd en de magen al vol zaten, dan sloeg hij de plank volledig mis. De maaltijd was immers al achter de kiezen en de mosterd kon zijn verteringswerk niet meer doen. Dit historische feitje leidde al snel tot het Franse gezegde 'servir de la moutarde après diner', wat we later letterlijk naar het Nederlands hebben vertaald.

In de loop der eeuwen verhuisde deze keukenblunder naar onze dagelijkse taal. De mosterd van nu is niet meer eetbaar, maar heeft de vorm van een te late excuses, een achterhaald advies of een herinnering die binnenkomt als de deadline al twee dagen is verstreken. Het heeft geen enkel nut meer, hoe goed bedoeld het misschien ook was.

Dus de volgende keer dat iemand met een oplossing komt aanzetten als het probleem zichzelf allang heeft opgelost, weet je precies welke culinaire misser diegene heeft begaan. Die staat figuurlijk met een schaaltje scherpe saus bij een lege tafel te wachten op een maag die al vol zit. En dat maakt zo'n nutteloze opmerking een stuk makkelijker te negeren.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Het overkomt de beste weleens: je zit in een langslepende discussie over wie er gelijk heeft of je probeert je oude auto te verkopen voor de hoofdprijs, maar de kopers laten het afweten. Op een gegeven moment denk je: laat maar zitten, ik neem wel genoegen met iets minder. Ofwel: je kiest eieren voor je geld. We gebruiken deze uitdrukking massaal wanneer we bakzeil halen of onze eisen verlagen om groter verlies te voorkomen. Maar waarom ruilen we onze harde knaken in voor een doosje eieren als we eieren voor ons geld kiezen? Tijd om de marktkoopman in onszelf naar boven te halen en te kijken naar deze opmerkelijke ruilhandel.[/intro]

Voor de oorsprong van deze uitdrukking moeten we een paar eeuwen terug, naar de zestiende eeuw om exact te zijn, de tijd van keizer Karel V. In die periode was de schaarste aan echt muntgeld in delen van Nederland, zoals Friesland, zó groot dat men in het dagelijks handelsverkeer noodgedwongen overging op betaling in natura. Eieren werden daardoor een officieel geaccepteerd ruilmiddel. De waarde ervan was historisch laag: voor één schamele stuiver kreeg je destijds maar liefst 32 eieren! Niet gek dus dat eieren, net als haverstro en bonen, symbool stonden voor iets dat bijna niets waard was.

Deze extreme geldschaarste zorgde voor een hard dilemma, of je nu als handelaar op de jaarmarkt stond of als arme loonwerker net je klus had afgerond. Je wilde het liefst keiharde guldens of stuvers zien, maar als de markt op zijn einde liep of de boer simpelweg geen munten in zijn zak had, stond je voor een keuze: koppig blijven eisen dat je in cash werd betaald - met het risico dat je met lege handen of een onwisse schuld naar huis ging - óf akkoord gaan met een flinke mand verse eieren.

Men koos in zo'n geval eieren voor zijn geld. Het was misschien niet de lucratieve deal waar je op had gehoopt, maar van die eieren kon je tenminste nog eten of ze later alsnog ergens anders tegen ruilen. Het was beter om íets van waarde te bezitten dan te blijven wachten op geld dat toch niet ging komen. Wel had deze unieke valuta een strakke deadline: een ei moest binnen drie weken geconsumeerd of doorverhandeld zijn, anders veranderde het betaalmiddel abrupt in een stinkend projectiel voor het schandblok.

In die tijd was de eierboer overigens niet de enige met dit probleem; men koos destijds net zo makkelijk 'appelen voor het geld'. Die twee goedkope producten smolten in onze taal later samen tot de bekende uitdrukking 'voor een appel en een ei' (iets voor een spotprijs kopen). En als een taakje tegenwoordig heel gemakkelijk is, noemen we het nog altijd gekscherend 'appeltje-eitje'. Zelfs ons aloude verjaardagsliedje herinnert ons nog aan het bezit van deze eier-valuta: "Ei, ei, ei, en we zijn zo blij!" zingen we nog altijd, al denken we nu eerder aan feeststemming dan aan een zestiende-eeuws loonstrookje.

Dus de volgende keer dat je eieren voor je geld kiest in een discussie om de lieve vrede te bewaren, hoef je je niet het gevoel te hebben dat je hebt gefaald. Je hanteerde gewoon een eeuwenoude overlevingstactiek. Je hebt misschien niet de hoofdprijs in keiharde knaken, maar je gaat in elk geval niet met lege handen naar huis.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]We kennen allemaal wel die ene collega die tijdens een presentatie niet naar de inhoud luistert, maar struikelt over een verkeerd geplaatste komma op dia vier. Of die vriend die een fantastisch driegangendiner voorgeschoteld krijgt en opmerkt dat het zoutvaatje een beetje stroef draait. Wat een criticaster! In het Nederlands hebben we daar een prachtige, beeldende uitdrukking voor: diegene is spijkers op laag water aan het zoeken. Maar waarom struinen we de waterkant af naar ijzerwaren als we ergens over willen zeuren? Tijd om het anker te lichten en te kijken waar deze uitdrukking vandaan komt.[/intro]

Roept het bij jou meteen de associatie op met een bizar soort strandjutten? Dan zit je verrassend dicht bij de waarheid. Voor de oorsprong van deze uitdrukking moeten we terug naar de bloeitijd van de Nederlandse scheepsbouw, rond de zeventiende eeuw. In die tijd werden houten schepen nog volledig met de hand in elkaar getimmerd. Daar waren duizenden ijzeren en koperen spijkers voor nodig. En ijzer was in die tijd een kostbaar goedje.

Tijdens het bouwen of repareren van een schip aan de kade viel er natuurlijk weleens een spijker in het water. Wanneer het vloed was, lagen die spijkers diep op de bodem en kraaide er geen haan naar. Maar zodra het eb werd (oftewel: bij laag water) kwamen de spijkers plotseling in het zicht te liggen in de modder.

Verloren spijkers zoeken

Arme scheepsarbeiders of schrale lieden struinden dan de drooggevallen oevers af om die verloren spijkers te zoeken. Het was een hoop gedoe voor een minimale opbrengst. Je was enorm veel tijd en energie aan het verspillen aan iets wat eigenlijk heel onbeduidend en klein was, uit armoede of overdreven precisie.

In de loop der eeuwen verhuisde deze activiteit van de scheepswerf naar onze dagelijkse taal. De 'spijkerzoekers' van nu struinen niet meer door de modder, maar door andermans argumenten of plannen. Als je spijkers op laag water zoekt, ben je met een vergrootglas op zoek naar minuscule, onbelangrijke foutjes om toch maar iets te kunnen aanmerken op het grote geheel. Je maakt van een mug een olifant, puur om het kritiek hebben zelf.

Dus de volgende keer dat iemand je een opmerking maakt over een volstrekt onbelangrijk detail, weet je precies wat je moet zeggen. Diegene staat figuurlijk met zijn laarzen in de zestiende-eeuwse modder te graven naar een verroeste spijker. 

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie weleens een poging heeft gewaagd om een bouwpakket van die ene bekende Zweedse meubelgigant in elkaar te zetten zonder de handleiding te lezen, heeft zich vast weleens een rasechte 'stoethaspel' gevoeld. Het woord klinkt als een antiek stuk gereedschap waar je pijnlijk over struikelt, en dat is ook precies wat het is: de ultieme, ietwat nostalgische kwalificatie voor een onhandige kluns. Maar waar komt deze rammelende term eigenlijk vandaan? Tijd om de draad op te pakken en te kijken waar dit woord vandaan komt.[/intro]

Wie denkt dat een stoethaspel een soort antiek bakkerswerktuig is om de versgebakken broden (in Twente en Groningen ook wel 'stoeten' genoemd) uit de oven te vissen, moeten we helaas uit de droom helpen. De werkelijke herkomst is namelijk een stuk minder smakelijk. Volgens de Etymologiebank is het woord een samenstelling van 'stoten' en 'haspel'. Een haspel is van oorsprong een werktuig met een draaias waaromheen garen of touw gewonden wordt. Je kent hem wel van de oma’s in sprookjes die urenlang garen zitten te spinnen.

De haperende haspel

De 'stoot' in dit verhaal komt van het verouderde werkwoord stoeten - dat je inmiddels kent als ‘stoten’ - wat in de zestiende eeuw niet alleen 'een duw geven' betekende, maar ook 'onhandig of schokkerig bewegen'. Een stoethaspel was dus oorspronkelijk een haspel die niet lekker liep. Hij haperde, schokte en zorgde ervoor dat de hele boel in de knoop raakte. Als de as van de haspel krom was of de draaier geen flauw benul had van wat hij deed, kreeg je een 'stotende haspel'.

Rond de achttiende eeuw zijn we dit technische ongemak op mensen gaan plakken en werd de stoethaspel de personificatie van onhandigheid. Men combineerde het schokkerige botsen (stoten) met het warrig opwinden van garen (haspelen) tot de perfecte omschrijving voor iemand die struikelend en haperend door het leven gaat. Het is de menselijke variant van een vastgelopen rits; hoe harder je trekt, hoe meer er kapotgaat. Het woord ademt een soort aandoenlijke lompheid uit die we tegenwoordig ook wel een 'kluns' noemen. Het is een prachtig ouderwets scheldwoord dat eigenlijk veel te leuk is om in de vergetelheid te laten raken, ook al is het voor de stoethaspel in kwestie misschien minder vrolijk.

Dus de volgende keer dat je iemand met een dienblad vol drankjes ziet wankelen, kun je hem met een gerust hart een 'stoethaspel' noemen. Je zegt eigenlijk alleen maar dat zijn interne mechaniekje een beetje stroef loopt. En dat klinkt toch een stuk charmanter dan dat je hem uitmaakt voor een gevaar op de weg, nietwaar?

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Suikerspinnen, kikkererwten, ongelikte beren, nijlpaarden, palingworsten, ezelsoren en tentharingen. Allemaal beestjes. Taalbeestjes met een bijzonder verhaal. Want hoe komen deze beestjes aan hun naam?[/intro] Door Laura van Eerten Een suikerspin is natuurlijk geen spin van suiker, en een kikkererwt geen erwt die op een kikker lijkt. Maar hoe zit het dan wel? Doodnormale woorden zijn plotseling niet meer zo normaal als je er nog eens goed naar kijkt. Grappig genoeg gebruiken we die woorden juist vaak zonder erover na te denken, en staan we niet stil bij de herkomst. Daarover gaat het nieuwe boek Waar komt suikerspin vandaan? En nog 99 andere vragen over woorden. Vaak hebben de woorden uit het boek wel iets met het beestje te maken, maar soms ook helemaal niet. Ik heb me bijvoorbeeld vaak vergeefs afgevraagd hoe ik de kikker in verband kon brengen met de kikkererwt. De erwt is namelijk niet groen, lijkt in de verste verte niet op een kikker en past bij mijn weten ook niet in een verantwoord amfibieëndieet. Kikkererwt blijkt dan ook een variant te zijn van keker of kekererwt. Het woord komt oorspronkelijk van het Latijnse cicer, dat ‘grauwe erwt’ betekent. Kijk, dat verklaart een hoop. De palingworst heeft dan weer wel met de vis te maken. Zelf eet ik nooit palingworst aangezien ik vegetariër ben, dus eigenlijk ging ik er gewoon vanuit dat het worst was gemaakt van paling. Maar nee, er zit geen vis in palingworst. De worst is gemaakt van varkensvlees en wordt gerookt. Dat roken gebeurt op dezelfde manier waarop palingen gerookt worden, en de rooksmaak doet ook een beetje denken aan gerookte palingen. Vandaar de naam palingworst. Nog meer vis vinden we in de tentharing. Aan de moderne haringen is het niet meer zo goed te zien, maar vroeger waren ze van hout en kon je er de vorm van een vis in herkennen. Frans- en Duitstaligen dachten er blijkbaar hetzelfde over, want zij noemden de tentharing sardine en Zeltheringe. Hoe het precies zit met de ongelikte beer, het nijlpaard, het ezelsoor en de suikerspin is te lezen in het boekje. Overigens gaat het boek niet alleen maar over beestjes. Scheldwoorden, eten en alcohol komen ook uitgebreid aan bod. Na het lezen van Waar komt suikerspin vandaan? zal een ‘halve zool’ die na het eten van een ‘spiegelei’ met ‘kikkererwten’ een ‘afzakkertje’ drinkt, nooit meer hetzelfde zijn.
Waar komt suikerspin vandaan? Winnen! Waar komt suikerspin vandaan? komt vandaag uit en wij mogen vijf exemplaren weggeven! Van welk woord hoop jij de herkomst te kunnen lezen in het boekje? Laat het ons weten in een opmerkingen en wie weet kun jij binnenkort op verjaardagen vertellen waar 'suikerspin' vandaan komt.  
Over Laura van Eerten lauraTaalkundige bij het Instituut voor de Nederlandse Taal (IvdNT, voorheen INL) en blogger voor de rubriek Woordbaak: we mogen wel stellen dat Laura van Eerten net zo verzot is op onze taal als wij. Of misschien moeten we zeggen: verzot op woorden. Ze was zelf initiatiefnemer en auteur van het boek Waar komt pindakaas vandaan? en de opvolger Waar komt hagelslag vandaan?, waarover ze al eerder de column Woordbeleg voor ons schreef. Ook zit ze achter de jaarlijkse Weg met dat woord!-verkiezing.

Wil je zelf je column terugzien op onze site? Stuur je column in.