Woordweetje: ezelsbruggetje
’t Kofschip, Meneer Van Dalen Wacht Op Antwoord, Een Aap Die Geen Bananen Eet, TV-tas … er zijn weinig mensen die geen trucjes toepassen om dingen te onthouden ...
Wie weleens een poging heeft gewaagd om een bouwpakket van die ene bekende Zweedse meubelgigant in elkaar te zetten zonder de handleiding te lezen, heeft zich vast weleens een rasechte ‘stoethaspel’ gevoeld. Het woord klinkt als een antiek stuk gereedschap waar je pijnlijk over struikelt, en dat is ook precies wat het is: de ultieme, ietwat nostalgische kwalificatie voor een onhandige kluns. Maar waar komt deze rammelende term eigenlijk vandaan? Tijd om de draad op te pakken en te kijken waar dit woord vandaan komt.
Wie denkt dat een stoethaspel een soort antiek bakkerswerktuig is om de versgebakken broden (in Twente en Groningen ook wel ‘stoeten’ genoemd) uit de oven te vissen, moeten we helaas uit de droom helpen. De werkelijke herkomst is namelijk een stuk minder smakelijk. Volgens de Etymologiebank is het woord een samenstelling van ‘stoten’ en ‘haspel’. Een haspel is van oorsprong een werktuig met een draaias waaromheen garen of touw gewonden wordt. Je kent hem wel van de oma’s in sprookjes die urenlang garen zitten te spinnen.
De ‘stoot’ in dit verhaal komt van het verouderde werkwoord stoeten – dat je inmiddels kent als ‘stoten’ – wat in de zestiende eeuw niet alleen ‘een duw geven’ betekende, maar ook ‘onhandig of schokkerig bewegen’. Een stoethaspel was dus oorspronkelijk een haspel die niet lekker liep. Hij haperde, schokte en zorgde ervoor dat de hele boel in de knoop raakte. Als de as van de haspel krom was of de draaier geen flauw benul had van wat hij deed, kreeg je een ‘stotende haspel’.
Rond de achttiende eeuw zijn we dit technische ongemak op mensen gaan plakken en werd de stoethaspel de personificatie van onhandigheid. Men combineerde het schokkerige botsen (stoten) met het warrig opwinden van garen (haspelen) tot de perfecte omschrijving voor iemand die struikelend en haperend door het leven gaat. Het is de menselijke variant van een vastgelopen rits; hoe harder je trekt, hoe meer er kapotgaat. Het woord ademt een soort aandoenlijke lompheid uit die we tegenwoordig ook wel een ‘kluns’ noemen. Het is een prachtig ouderwets scheldwoord dat eigenlijk veel te leuk is om in de vergetelheid te laten raken, ook al is het voor de stoethaspel in kwestie misschien minder vrolijk.
Dus de volgende keer dat je iemand met een dienblad vol drankjes ziet wankelen, kun je hem met een gerust hart een ‘stoethaspel’ noemen. Je zegt eigenlijk alleen maar dat zijn interne mechaniekje een beetje stroef loopt. En dat klinkt toch een stuk charmanter dan dat je hem uitmaakt voor een gevaar op de weg, nietwaar?
’t Kofschip, Meneer Van Dalen Wacht Op Antwoord, Een Aap Die Geen Bananen Eet, TV-tas … er zijn weinig mensen die geen trucjes toepassen om dingen te onthouden ...
Ben je weleens niet al te zachtzinnig bij je lurven gegrepen? Of misschien wel bij je kladden? Het klinkt als een nogal pijnlijke fysieke ingreep, maar heb jij ...
ik heb besloten me aan te sluiten bij de nieuwe trend in het schrijven van onze taal de trend waarbij alle lees tekens hoofdletters en samen gestelde woorden ov...
Ik slaap in mijn blootje. Of eigenlijk ook weer niet, want 'mijn blootje' kreeg onlangs een andere betekenis....