#etymologie


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je moet de administratie nog bijwerken, de vaatwasser uitruimen of op maandagavond naar een verplichte netwerkborrel, en werkelijk álles in jou schreeuwt: "Nee!" We zeggen dan dat je 'er een broertje dood aan hebt'. We gebruiken de uitdrukking al decennia voor een grondige hekel, een diepe afkeer of een vurige allergie voor een specifieke taak of situatie. Maar waarom slepen we onze familieverhoudingen en een tragisch sterfgeval erbij om een alledaagse ergernis uit te drukken? Tijd om de medische historie van vroeger in te duiken en deze duistere gezinsmetafoor te ontrafelen.[/intro]

Infectieziekten

Wie denkt dat het 'broertje' in deze uitdrukking slaat op een vervelend jonger broertje waar je als kind ruzie mee had, zit er flink naast. De oorsprong voert ons helaas terug naar de rauwe werkelijkheid van eeuwen geleden: hoge kindersterfte en dodelijke infectieziekten.

Vroeger overleden veel kinderen op schrikbarend jonge leeftijd aan ziektes als cholera, tyfus, pokken of roodvonk. Als een gezin door zo'n tragische ziekte een kind verloor, sprak men dus over 'een broertje die aan een ziekte is overleden.'

Afkeer

De ziekte die het kind had geveld, boezemde de nabestaanden uiteraard een gigantische angst, afkeer en angstvallige hekel in. 'Een broertje dood hebben aan [een ziekte]' sloeg oorspronkelijk dus heel concreet op de specifieke kwaal waaraan het jonge familielid was gestorven. Vroeger was trouwens ook de variant "daar heb ik een broer aan verloren" heel gewoon!

Alledaagse ergernis

In de loop van de negentiende eeuw veranderde de betekenis van een 'angstaanjagende dodelijke ziekte' naar een hele sterke, figuurlijke afkeer. De volksmond nam de heftige zegswijze over om aan te geven dat je voor iets net zo'n diep gewortelde afkeer voelde als voor een vreselijke kwaal. Varianten werden soms zelfs gekscherend aangedikt met: "Ik heb er een hele familie aan dood!"


De epidemieën en de schrikbarende kindersterfte hebben we dankzij de moderne geneeskunde ver achter ons gelaten. Maar de uitdrukking is als spoor in onze taal behouden gebleven.

Dus de volgende keer dat jij er een broertje dood aan hebt om de dozen naar het oud papier te brengen, weet je dat je een vrij heftige historische vergelijking van stal haalt. Gelukkig blijft het nu gewoon bij een saai klusje op de to-dolijst.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Een bedrijf besluit een verouderd computersysteem te vernieuwen, maar wist per ongeluk ook het complete, feilloze klantensysteem dat al twintig jaar perfect werkte. Of je besluit je kledingkast eens flink op te ruimen, maar doneert in je enthousiasme ook die splinternieuwe winterjas die je net gisteren had gekocht. We zeggen dan dat je 'het kind met het badwater weggooit'. Het is onze favoriete uitdrukking voor situaties waarin je, in een poging om iets slechts te verwijderen, per ongeluk ook het allerbeste en meest waardevolle weggooit. Maar waar komt dit nogal lugubere beeld vandaan? Tijd om de emmer erbij te pakken en terug in de tijd te reizen.[/intro]

De mythe

Wie op internet zoekt naar de herkomst van deze uitdrukking, stuit al snel op een zeer populair historisch verhaal. In de middeleeuwen zouden gezinnen zich achter elkaar in hetzelfde badwater wassen. Eerst de heer des huizes, dan de vrouw, daarna de kinderen en als allerlaatste de baby. Tegen de tijd dat de baby aan de beurt was, zou het water zo vies en ondoorzichtig zijn dat de moeder het kind bij het leeggooien van de tobbe over het hoofd zag.
Het is een hilarische en hardnekkige anekdote, maar taalkundigen en historici zijn er duidelijk over: dit is een mythe. Mensen in de middeleeuwen waren heus niet zo achterlijk dat ze een complete baby vergaten in een badkuip, hoe vies het water ook was.

Duitse herkomst


De werkelijke herkomst is veel simpeler: het is een eeuwenoude, bewuste hyperbool (een extreme stijlvorm van overdrijving) om aan te tonen hoe dom een bepaalde actie is. De uitdrukking is van oorsprong Duits ('das Kind mit dem Bade ausschütten') en dook al in 1512 voor het eerst op in een satirisch boek van de schrijver Thomas Murner. In de zeventiende eeuw werd de uitdrukking door de filosoof Johannes Amos Comenius in het Nederlands geïntroduceerd.

Radicaal

De uitdrukking was destijds bedoeld als een absurde, spottende vergelijking. Iedereen snapt dat badwater na een wasbeurt vies is en weg moet. Maar een kind is het meest waardevolle bezit dat je hebt. De volksmond bedacht dit overdreven, schokkende beeld om te laten zien dat iemands aanpak zó ondoordacht en radicaal is, dat het middel vele malen erger is dan de kwaal.


In de loop der eeuwen zijn onze hygiënische standaarden behoorlijk verbeterd en hebben we stromend warm water uit de kraan, maar de waarschuwing voor overhaaste beslissingen bleef onveranderd populair.

Dus de volgende keer dat een collega tijdens een brainstormsessie voorstelt om een compleet project te schrappen omdat één klein onderdeel niet werkt, weet je precies wat je moet zeggen. Rem diegene even af en zorg dat het kind veilig op het droge blijft. Wel zo gezellig, en het scheelt een hoop taalkundige brokken.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je scrolt door het nieuws en ziet binnen één seconde een hilarische taalvout in de kop staan. Of je leest een officieel contract door en pikt er meteen die ene geniepige tikfout uit die iedereen over het hoofd zag. We zeggen dan dat je 'bij de pinken bent'. We gebruiken de uitdrukking al sinds de negentiende eeuw om aan te geven dat iemand alert, gevat, bijdehand of snel van begrip is. Maar wat heeft de kleinste vinger aan je hand in hemelsnaam te maken met je intellectuele scherpte?[/intro]

Bargoens

Het korte antwoord: helemaal niets! In geen enkel geval verwijst de uitdrukking naar de pink aan je hand. De échte oorsprong ligt namelijk in een heel andere hoek: de middeleeuwse geheimtaal van dieven en landlopers (het Duitse Rotwelsch en ons eigen Bargoens).

In die schimmige onderwereld was Pinke of pink het woord voor 'geldbuidel' of 'geld'. Het woord was waarschijnlijk een klanknabootsing (onomatopee) voor het klinken van munten; exact de oorsprong van het woord 'pingping' dat sommigen vandaag de dag nog steeds gebruiken.

Op de kleintjes letten

Wie vroeger 'bij de pinken was', lette letterlijk heel goed op zijn geldzak. Je zorgde er simpelweg voor dat zakkenrollers er niet mee vandoor gingen. In Groningen en Vlaanderen betekende de uitdrukking dan ook lange tijd 'zuinig zijn' of 'op de kleintjes letten'. Maar hoe veranderde dat op je centen letten in intellectuele scherpte?

Bijdehand

Wie goed op z'n geld wilde passen, moest natuurlijk continu ontzettend wakker en alert zijn. Onder invloed van de uitdrukking 'bijdehand zijn' (wat oorspronkelijk 'vroeg uit bed en paraat zijn' betekende) verschoof de betekenis in de negentiende eeuw definitief van de portemonnee naar het brein en dus van geld naar 'pienter, gevat en bij de les zijn'.

De Bargoense geldzakken zijn inmiddels uit ons straatbeeld verdwenen, maar de scherpte is gebleven. Dus de volgende keer dat jij die ene flinke taalvout als eerste opmerkt en iemand zegt dat je lekker bij de pinken bent, weet je dat je in de voetsporen treedt van waakzame voorouders. Je let niet alleen op de kleintjes, maar bent iedereen ook nog eens een stapje voor!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je hebt geïnvesteerd in een slimme cursus, een succesvol nieuw project opgezet of ooit op het juiste moment een aandeel gekocht. Een paar maanden later zie je de opbrengsten binnenstromen. In het Nederlands zeggen we dan dat die beslissing je geen windeieren heeft gelegd. We gebruiken deze uitdrukking al sinds de middeleeuwen wanneer iets iemand veel voordeel, winst of succes oplevert. Maar wat heeft een ei dat door de wind is gelegd in hemelsnaam te maken met financieel succes of een lucratieve zet? Tijd om het kippenhok in te duiken en de pluimvee-herkomst van deze uitdrukking te ontrafelen![/intro]

Wie bij 'windeieren' denkt aan paaseieren die door de storm over het erf waaien, zoekt in de verkeerde richting. De sleutel tot deze uitdrukking voert ons namelijk rechtstreeks terug naar de biologie van vogels en een oud volksgeloof.

Een 'windei' is een heel concreet, natuurlijk fenomeen: het is een ei zonder harde kalkschaal, dat alleen omhuld is door een zacht vliesje. Zo'n ei ontstaat wanneer een hen of vogel een tekort aan kalk heeft, of wanneer het eivormingsproces verstoord is. Omdat het vliesje heel teer is, breekt het ei vrijwel meteen en is het onbruikbaar voor de boer.

Bevruchting

Maar waar komt die vreemde naam 'wind'-ei vandaan? Onze voorouders snapten vroeger nog niets van kalktekorten of vogelanatomie. In de klassieke oudheid en de middeleeuwen geloofde men daarom dat hennen of vogels bevrucht konden worden door ... de wind! Een ei dat zonder de tussenkomst van een haan werd gelegd — en dus mislukt en onvruchtbaar was — werd toegeschreven aan de ijle lucht. Het Latijnse ovum venti (windei) verhuisde rechtstreeks naar onze taal.

Het leggen van een windei stond voor de boer dus gelijk aan waardeloze moeite: de kip heeft wel geperst, maar het levert niets op.

Vruchteloos

In de volkstaal werd een 'windei' daardoor al snel synoniem voor een teleurstelling, een waardeloze zaak of een vruchteloze inspanning. Wanneer iets je géén windeieren legt, zeg je ontkennend eigenlijk dat de moeite níét vergeefs was. Het levert juist een 'echt' ei op met een stevige schaal: een tastbaar, waardevol resultaat!

In de loop der eeuwen zijn we het oude geloof in windbevruchting gelukkig kwijtgeraakt, maar de ontkennende uitdrukking bleef als vaste succesformule overeind.

Dus de volgende keer dat een slimme keuze jou geen windeieren legt, weet je dat je in de voetsporen treedt van middeleeuwse pluimveehouders. Je staat niet met lege handen en een gebroken vliesje, maar met een prachtig, winstgevend resultaat!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je vraagt de klantenservice om een helder antwoord op je vraag, maar in plaats daarvan krijg je een ontwijkend standaardmailtje waar je precies niets mee kunt. Of je vraagt je leidinggevende om die beloofde opslag en hij scheept je af met een vaag praatje over "volgend kwartaal eens kijken". In het Nederlands zeggen we dan dat je met een kluitje in het riet gestuurd wordt. We gebruiken het al eeuwenlang wanneer iemand je met een smoesje afscheept of je aan het lijntje houdt. Maar wat heeft een pol aarde te maken met ontwijkend gedrag? Tijd om de laarzen aan te trekken, de polder in te duiken en de herkomst van deze afleidingsmanoeuvre te ontrafelen![/intro]

Wie bij deze uitdrukking denkt aan tuiniers die aarde in de sloot gooien, zoekt aan de verkeerde oever. De sleutel tot dit gezegde voert ons namelijk rechtstreeks terug naar de jacht op watervogels en de volksvermaak-spelletjes van onze voorouders.

Afleiding voor de hond

Wanneer onze voorouders een speelse hond wilden afleiden, gooiden ze zo'n kluitje aarde ver weg, zo tussen het hoge riet langs de waterkant. Het dier rende er enthousiast achteraan en verdween al snuffelend in de dichte rietkraag, om daar uren vergeefs te zoeken naar iets wat er helemaal niet lag. Ondertussen kon de gooier er stilletjes tussenuit knijpen of ongestoord verdergaan met zijn werk.

In de zeventiende eeuw verhuisde de truc van het hondenveldje naar de menselijke interactie. Schrijvers als Bredero en Cats gebruikten de uitdrukking toen al om afleidingsmanoeuvres te beschrijven. 'Iemand met een kluitje in het riet sturen' werd de vaste metafoor voor het geven van een nutteloze opdracht of een vaag antwoord, puur om diegene even bezig te houden en van je af te schudden.

Poldertraditie

In de loop der eeuwen zijn we de jachthonden en de modderbollen kwijtgeraakt, maar het gevoel blijft herkenbaar: je zoekt je een ongeluk in het riet, terwijl degene die het 'kluitje' gooide er stiekem vandoor is.

Dus de volgende keer dat een helpdesk je afscheept met een nutteloze standaardreactie, weet je dat je in een eeuwenoude poldertraditie stapt. Blijf niet tussen de rietstengels zoeken, maar eis gewoon een echt antwoord op!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je probeert al weken de fijne kneepjes van een ingewikkeld softwareprogramma te snappen, zwoegt op de uitspraak van een vreemde taal of probeert de perfecte pizzabodem te bakken. En ineens, na heel wat zweet en geploeter, snap je het. In het Nederlands zeggen we dan dat je 'het onder de knie hebt'. We gebruiken het al eeuwenlang wanneer we een vaardigheid, kunstje of kennis helemaal meester zijn geworden. Maar wat heeft je fysieke gewricht in je been in hemelsnaam te maken met je intellectuele vermogens of een opgebouwde vaardigheid? Tijd om de historische vechtmat op te stappen en de strijdlustige roots van deze uitdrukking te ontrafelen![/intro]

Wie denkt dat de uitdrukking te maken heeft met een schoolbankje waar je met je knieën onder zit te studeren, zoekt in de verkeerde hoek. De sleutel tot deze uitdrukking voert ons namelijk rechtstreeks terug naar de middeleeuwse gevechtskunst en de gewapende strijd.

In de tijd van ridders, worstelaars en lijf-aan-lijfgevechten was een gevecht pas écht beslecht als één van de twee strijders op de grond lag en zich niet meer kon bewegen. De winnaar klemde zijn tegenstander tegen de grond en zette letterlijk zijn knie op de borst, keel of rug van de verliezer. Wie zijn rivaal letterlijk 'onder de knie' had gedrukt, had de volledige controle, heerschappij en overwinning gegrepen. De verliezer was volkomen bedwongen en kon geen kant meer op. In het Middelnederlands en de zestiende eeuw werd 'iemand onder de knie krijgen' of 'dwingen' dan ook gebruikt in de heel concrete zin van: iemand fysiek overmeesteren, onderwerpen of verslaan.

Zoals dat zo mooi gaat in de taalgeschiedenis, verschoof deze keiharde vechtsportmetafoor in de zeventiende en achttiende eeuw van een fysiek naar een mentaal gevecht. Een ingewikkelde taak, een lastige taal of een ambacht werd gezien als een 'tegenstander' die je moest bedwingen. Als je de stof eenmaal doorgrond had en de materie beheerste, had je de taak figuurlijk 'onder de knie gekregen': je had het probleem gevloerd en de controle overgenomen!

De zwaarden en de worstelmatten hebben we inmiddels opgeborgen, maar de zegswijze is ijzersterk overeind blijven staan als hét symbool voor overwinning op een lastige vaardigheid.

Dus de volgende keer dat jij een ingewikkelde vaardigheid eindelijk onder de knie krijgt, weet je dat je in de voetsporen treedt van middeleeuwse overwinnaars. Je hebt die ingewikkelde stof niet gewoon geleerd, je hebt het figuurlijk tegen de mat gewerkt en de winst geclaimd!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je staat op het punt een nieuw contract te tekenen, zoekt een zakenpartner voor je briljante idee of besluit samen met een vriend een project te starten. In het Nederlands zeggen we dan dat je 'in zee gaat met iemand'. We gebruiken de uitdrukking dagelijks voor het aangaan van een samenwerking, een zakelijke overeenkomst of een maatschap. Maar wat heeft een frisse duik in de golven in hemelsnaam te maken met zakendoen en contracten tekenen? Tijd om de scheepsboeken in te duiken en de maritieme roots van dit zakelijke avontuur te ontrafelen![/intro]

Wie bij 'in zee gaan' denkt aan met je zwembroek aan de vloedlijn in rennen of pootjebaden in de Noordzee, zoekt in de verkeerde richting. De sleutel tot deze uitdrukking voert ons rechtstreeks terug naar de zeevaart en handel in de zeventiende en achttiende eeuw.

Delen van kosten en risico's

In de Gouden Eeuw was uitvaren op zee niet zomaar een reisje. Het was een hachelijk, risicovol én kostbaar avontuur. Één kapitein of handelaar kon een schip, de bemanning en de lading vaak niet in z'n eentje financieren. Bovendien was het risico op schipbreuk of piraterij veel te groot om alleen te dragen. Daarom zochten kooplieden compagnons om samen de kosten én de risico's te delen.

Wanneer men samen de financiering rond had en het schip daadwerkelijk de haven verliet, gingen de handelaren letterlijk en figuurlijk samen in zee. Ze vertrouwden hun kapitaal en toekomst aan elkaar toe op het open water.

Zee als metafoor

Het werkwoord 'gaan' had in combinatie met 'in zee' destijds dus de hele concrete betekenis van 'uitvaren voor de handel'. In de volksmond verschoof die scheepvaartterm al snel van de fysieke reis op het water naar de overeenkomst die eraan voorafging. 'In zee gaan met iemand' werd de vaste metafoor voor het aangaan van een gemeenschappelijke onderneming, waarin je samen het avontuur opzoekt en de risico's deelt.

De houten schepen hebben we inmiddels ingeruild voor kantoortuinen en Zoom-meetings, maar de maritieme overtuiging bleef overeind: wie samenwerking zoekt, monstert samen aan.

Dus de volgende keer dat jij de pennen pakt om een samenwerking te bezegelen en 'in zee gaat' met iemand, weet je dat je in de voetsporen treedt van avontuurlijke kooplieden. Zorg alleen wel dat je partner het hoofd boven water houdt!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je hebt wekenlang gezwoegd op een belangrijke presentatie, maar op de dag zelf klapt je laptop eruit, gooi je koffie over je witte overhemd én vergeet je de helft van je verhaal. Eenmaal thuis plof je op de bank en weiger je de komende 24 uur nog een voet buiten de deur te zetten. In het Nederlands zeggen we dan dat je in zak en as zit. We gebruiken het al eeuwenlang voor iemand die compleet terneergeslagen is, diep in de put zit of het even helemaal niet meer ziet zitten. Maar wat hebben een schurende jutezak en een hoopje verbrande houtskool in hemelsnaam te maken met klinkklare neerslachtigheid? Tijd om de geschiedenisboeken in te duiken en de eeuwenoude roots van dit dramatische tafereel te ontrafelen.[/intro]

Wie bij zakken en as denkt aan moderne vuilnismannen of een mislukte stookpartij in de open haard, zoekt in de verkeerde eeuw. Voor de herkomst van deze uitdrukking moeten we namelijk duizenden jaren terug in de tijd, ver vóór onze jaartelling, naar de Oudheid en de Bijbel. Daar vormden 'zak en as' hét ultieme ritueel voor diepe rouw, boetedoening en extreem verdriet.

In de bijbelse tijd (onder andere te vinden in boeken als Esther en Matteüs) was het gebruikelijk om je emoties bij een grote ramp of intense rouw extreem fysiek te uiten. Mensen trokken hun mooie, dagelijkse kleren uit en deden een zak aan. Dat was geen zak van papier of plastic, maar een kleed gemaakt van geitenhaar of hele ruwe jutestof (sakkos in het Grieks), dat vreselijk schuurde en krap zat.

Maar daar hield het drama niet op. Om hun opperste nederigheid en verdriet aan de wereld (en God) te tonen, gingen mensen letterlijk op de grond zitten, te midden van een berg kille as uit het vuur. Soms strooiden ze die zwarte as zelfs over hun eigen hoofd en kleren. Het symboliseerde de menselijke vergankelijkheid: je stelt niets voor, je bent weer teruggebracht tot stof en as.

Toen de Bijbel in de zestiende en zeventiende eeuw in het Nederlands werd vertaald (de bekende Statenvertaling), verhuisden dit soort krachtige beelden rechtstreeks naar onze alledaagse taal. Uitdrukkingen als 'in zak en as zitten' of 'in zak en as gaan' raakten ingeburgerd als de vaste metafoor voor iemand die gehuld is in diepe rampspoed.

In de loop der eeuwen is het fysieke ritueel van de geitenharen zak en de vuile as gelukkig verdwenen (stel je voor dat je zo op kantoor zou verschijnen!), maar de zegswijze bleef ijzersterk overeind.

Dus de volgende keer dat jij je even compleet verslagen voelt en mentaal in zak en as zit, weet je dat je in een eeuwenoude, theatrale traditie stapt. Je hoeft gelukkig geen zak van geitenhaar aan te trekken, maar een fijne joggingbroek en een warme kop thee doen gelukkig precies hetzelfde!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie heeft er op school tijdens een saaie les niet stiekem een rastertje in de kantlijn van zijn schrift getekend? Twee strepen verticaal, twee horizontaal, en spelen maar! In het Nederlands noemen we dit strategische spelletje van negen vakjes 'boter-kaas-en-eieren'. Het is een oer-Hollandse merknaam voor een spelletje dat zo simpel is dat je er alleen een pen en papier voor nodig hebt. Maar wie er langer dan drie seconden over nadenkt, raakt geheid in de war. Waar zijn die zuivelproducten? En waarom spelen we een tactisch spelletje met een boodschappenlijstje voor de koelkast? Tijd om het keukenkastje in te duiken en het mysterie achter deze naam te ontrafelen![/intro]

Wat in elk geval vaststaat, is dat het spelletje zélf stokoud is. Zelfs de Romeinen krasten op monumenten al rasters van drie-bij-drie in steen om hun terni lapilli (drie steentjes) te spelen, en in het oude Egypte werden vergelijkbare patronen in tempeldaken gegraveerd. In het Engels heet het sober tic-tac-toe (naar het geluid van de pen op papier) en in het Spaans kortweg tres en raya (drie op een rij). Maar waaróm kiezen wij in vredesnaam voor zuivel en pluimvee?

Over de precieze herkomst van onze Nederlandse naam doen historici en het Meertens Instituut geheimzinnig: een keihard sluitend antwoord is er simpelweg niet. Wel zijn er drie hele smakelijke theorieën die het raadsel verklaren:

1. Het rijmpje op het leisteentje

In het boek De Volksvermaken uit 1870 beschrijft historicus Jan ter Gouw dat kinderen het spelletje op school speelden op een leisteentje. Het heette toen opvallend genoeg nog 'boter, melk en kaas'. Wie drie op een rij had, eiste de overwinning op door triomfantelijk te roepen: "Boter, melk, kaas, ik ben de baas!" In de loop van de tijd is 'melk' waarschijnlijk simpelweg vervangen door 'eieren'.

2. De streep van de melkboer

Een andere bekende theorie verwijst naar de ouderwetse melkboer die met zijn hondenkar langs de deuren ging. In zijn notitieboekje stonden vaste kolommen voor de producten. Zag de melkboer dat een klant alle drie de producten (boter, kaas én eieren) wilde kopen? Dan zette hij in één snelle haal een dikke streep door alle drie de vakjes. Precies zoals de winnende streep in het spelletje!

3. Boerenluxe op het leisteentje

Andere taalkundigen denken dat de drie alledaagse keukentermen werden gekozen vanwege de vertrouwde, agrarische achtergrond van ons land. Boter, kaas en eieren waren vroeger dé basiselementen van de boerenkeuken. Kinderen schreven dit boodschappenlijstje toch al op hun leisteentje, en gebruikten de lege ruimte eromheen om hun kruisjes en nulletjes in te krassen.

Latijn op de boerderij

Mocht je trouwens denken dat dit een puur Hollands onderonsje is: taalkundig gezien is de naam een bonte verzameling van leenwoorden! Van het trio is alleen het woord 'eieren' een oer-Hollands 'erfwoord'. 'Boter' en 'kaas' hebben we in de Romeinse tijd simpelweg gepikt uit het Latijn (butyrum en caseus), toen de Romeinen ons de fijne kneepjes van de zuiveltechnologie kwamen uitleggen.

Kortom: of de naam nou is ontstaan door roepende kinderen, een ijverige melkboer of een boodschappenlijstje in de kantlijn... we zijn er massaal aan verknocht geraakt. Dus de volgende keer dat jij drie kruisjes op een rij zet en de winst opeist, weet je dat je een stokoude traditie hooghoudt. Je bent nu officieel 'de baas' van het bord!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Soms krijgt iemand nieuws te horen waar hij totaal niet van onder de indruk is. Waar de een moord en brand schreeuwt, haalt de ander stoïcijns zijn schouders op. In het Nederlands hebben we daar een heerlijk platte, plastische uitdrukking voor: 'dat maakt me de pis niet lauw'. We gebruiken het om aan te geven dat iets ons echt he-le-maal niks doet, of dat we ons er in elk geval niet druk om gaan maken. Maar wat heeft je lichaamstemperatuur – en dan specifiek die van je urine – in hemelsnaam te maken met totale onverschilligheid? Tijd om de biologie en de oude volkstaal in te duiken om dit warme mysterie te ontrafelen.[/intro]

Wie denkt aan een koelbloedige reactie, denkt al snel aan de temperatuur van ons lichaam. Biologisch gezien heeft urine bij het verlaten van ons lichaam altijd een vrij constante temperatuur: het is zo'n 37 graden, oftewel behaaglijk lauw tot warm.

Wanneer mensen zich enorm opwinden, kwaad worden of stress ervaren, schiet de hartslag omhoog, stijgt de bloeddruk en gaat de 'interne kachel' harder branden. In de oude volkswijsheid geloofde men dat heftige emoties je hele lichaam letterlijk deden opwarmen, tot aan je lichaamssappen toe.

Als je ergens niet van onder de indruk bent, gebeurt er in je lijf het tegenovergestelde: helemáál niets. Je hartslag blijft rustig, je spieren ontspannen en je interne thermostaat verschuift geen millimeter. De gedachte achter de uitdrukking is dus simpel: deze situatie wekt zó weinig emotie, opwinding of stress bij me op dat zelfs mijn urine er niet eens een fractie van een graad warmer (of lauwer) van wordt.

In de loop van de negentiende en twintigste eeuw werd deze medische volkslogica omgezet in een platte volksuitdrukking. Het was de ultieme, ietwat ruwe manier om te laten zien dat je je door niets of niemand van je stuk liet brengen.

Inmiddels is het een klassieker in ons vocabulaire voor de betere portie onverschilligheid, al kun je hem op kantoor wellicht beter inruilen voor 'dat laat me koud'.

Dus de volgende keer dat je collega op hoge poten vertelt dat de koffiemelk op is of dat het buiten zachtjes regent, weet je precies welke biologische knop er uit blijft staan. Je interne kacheltje blijft op de waakvlam, je blaast niet hoog van de toren én je houdt de temperatuur onder controle. Al kun je deze medische onderbouwing tijdens een sollicitatiegesprek wellicht beter vóór je houden!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je staat op het punt om stiekem de laatste doos chocolade uit de kantine te jatten, maar precies als je de kast opendoet loopt je baas de ruimte binnen. Of de leraar zoekt een vrijwilliger voor het schoonmaken van het scheikundelokaal en zijn oog valt nét op jou. In het Nederlands zeggen we dan met een diepe zucht dat je 'de sigaar bent'. We gebruiken het al meer dan een eeuw wanneer iemand de dupe is, pech heeft of een vervelende klus in zijn maag gesplitst krijgt. Maar wat heeft een bruine rol opgerolde tabak in hemelsnaam misdaan om symbool te staan voor pure pech? Tijd om de rookgordijnen op te trekken en te kijken waar deze uitdrukking écht vandaan komt.[/intro]

Wie denkt dat de uitdrukking te maken heeft met de bekende 'sigaar uit eigen doos' of met rijke industriëlen die genietend een dikke bolknak opstaken, moeten we helaas teleurstellen. De herkomst is een stuk minder chic, maar wel heel menselijk.

De uitdrukking duikt rond de eeuwwisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw voor het eerst op in het Nederlandse taalgebied, onder andere in de leger- en studententaal. Taalkundigen zijn er heel duidelijk over: het woord 'sigaar' was in de volksmond simpelweg een eufemisme voor het mannelijk geslachtsdeel.

Maar waarom ben je 'de lul' of 'de sigaar' als je pech hebt?

Dat heeft alles te maken met de vrij brute logica uit de vroege volkstaal. In de platte spreektaal en het zeventiende-eeuwse Bargoens (de geheimtaal van dieven en bedelaars) werd de daad van het penetreren al eeuwenlang gebruikt als metafoor voor iemand bedriegen, vernederen of overmeesteren. Zo betekende ons huidige, onschuldige woord 'foppen' vroeger simpelweg 'neuken' of 'beroven'. Iemand 'foppen' of 'naaien' betekende dus letterlijk: iemand te grazen nemen.

Degene die het incasseert, is de 'onderliggende' partij: het slachtoffer dat de klap opvangt. Als je pech had of de dupe was, was jij figuurlijk degene die de 'lul' of 'pik' van de situatie toegewezen kreeg. Omdat zulke termen in nettere kringen nogal rauw op het dak vielen, bedacht men een schertsende, wat beschaafdere 'dekmantel'. Aangezien een sigaar qua vorm, nou ja, vrij makkelijk aan dat specifieke lichaamsdeel deed denken, werd 'de sigaar zijn' de perfecte, nette vervanger.

Interessant genoeg is de sigaar niet het enige langwerpige voorwerp dat voor dit taalkundige trucje is gebruikt. Zo kennen we in ons land ook de uitdrukking 'de pisang zijn'. 'Pisang' is het Indische woord voor banaan, die waarschijnlijk om dezelfde reden als eufemisme diende.

De grote doorbraak via De Jantjes

Dat deze straattaal uitgroeide tot een alledaagse klassieker, hebben we mede te danken aan de gigantisch populaire Jordaan-operette De Jantjes van producent Herman Bouber uit 1922. Daarin zat een iconisch liedje met de tekst: “Als je verliefd wordt, dan ben je de sigaar" (kijk vanaf 0.15). Het toneelstuk werd zo’n immense hit dat heel Nederland het liedje ging meezingen. Vanaf dat moment is 'de sigaar zijn' voorgoed geaccepteerd én verankerd in onze taal.

In de loop van de twintigste eeuw raakte de oorspronkelijke, schunnige betekenis van het woord 'sigaar' bij het grote publiek op de achtergrond. Daardoor klinkt 'de sigaar zijn' tegenwoordig als een heel keurige, bijna nostalgische uitspraak die je prima op de werkvloer of bij je schoonouders aan tafel kunt gebruiken.

Dus de volgende keer dat jij de klos bent en het keukentje moet opruimen, weet je precies in welke schaduw je staat. Je bent niet het slachtoffer van een tabaksbedrijf, maar van een stokoude, creatieve taalkundige dekmantel die via het theater onze huiskamers binnenrolde. Dat maakt de schoonmaakbeurt niet leuker, maar je weet in elk geval wel hoe de vlag erbij hangt!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je hebt een heerlijk weekendje weg gepland, de koffers staan klaar en het zonnetje schijnt … totdat je auto opeens weigert te starten. Of je staat op het punt een belangrijk project op je werk af te ronden en precies op dat moment valt de stroom uit. In het Nederlands zeggen we dan dat er 'roet in het eten is gegooid'. We gebruiken deze uitdrukking dagelijks wanneer een prachtig plan op het allerlaatste moment wreed wordt verstoord. Maar waarom roet? En wie was er vroeger zo flauw om dat zomaar in iemands maaltijd te kieperen? Tijd om de pan op het vuur te zetten en de keuken van onze voorouders in te duiken.[/intro]

Voor de herkomst van deze uitdrukking moeten we terug naar de tijd waarin we nog niet kookten op strakke inductieplaten of een smetteloos gasfornuis. Vroeger kookten mensen boven een open vuur in de schouw. Boven die dampende vuurplaats hing een grote, gietijzeren pot waarin de maaltijd urenlang stond te pruttelen.

Die schouwen en schoorstenen waren verre van brandschoon. Aan de binnenkant verzamelde zich in de loop der tijd een dikke, zwarte laag taai roet en vette roetvlokken. Als de schoorsteen niet goed geveegd was, of als de wind ineens verkeerd op de schoorsteen sloeg, kon het zomaar gebeuren: een flinke klomp smerig, zwart roet kwam uit de pijp naar beneden zeilen en belandde rechtstreeks in de open kookpot.

Roet is niet alleen gortdroog en pikzwart, het smaakt ook nog eens ontzettend bitter en vies. Zelfs een heel klein vlokje roet was al genoeg om een complete pot kervelsoep of stoofvlees oneetbaar te maken. Je kon de hele maaltijd in één klap weggooien; het feestmaal was in één seconde over en uit.

In de zeventiende en achttiende eeuw verhuisde dit alledaagse keukendrama langzaam naar onze taal. 'Roet in het eten gooien' werd de vaste metafoor voor het verpesten van de pret of het bederven van een mooi vooruitzicht.
Inmiddels zijn de open vuurplaatsen uit onze keukens verdwenen, maar de uitdrukking blijft als een paal boven water staan. We gebruiken hem nu niet meer voor mislukte avondmaaltijden, maar voor elk onverwacht obstakel dat een streep door onze plannen zet.

Dus de volgende keer dat de regen je barbecue overvalt of een lekke band je dag verpest, weet je precies in welke keukensituatie je zit. Er is geen kok aan te pas gekomen, maar het resultaat is helaas net zo bitter. Smakelijk eten is er even niet meer bij!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je kent die momenten wel: de docent staat op het punt de uitslag van het zwaarste examen van het jaar voor te lezen, of de directeur neemt het woord tijdens een onverwachte crisisvergadering. Iedereen houdt massaal de adem in en de spanning is om te snijden. Op zo’n moment is het zo muisstil dat je een speld kunt horen vallen. Het is onze absolute favoriete uitdrukking om een ademloze, intense stilte te omschrijven. Maar waar komt deze klassieke vergelijking vandaan?[/intro]

Kaarsklok

Als je op internet rondspeurt naar de herkomst, stuit je al snel op een prachtig, historisch verhaal. Vroeger, toen er nog geen mechanische klokken bestonden, zouden mensen een speld in een kaars hebben gestoken. Terwijl de kaars langzaam opbrandde, smolt het kaarsvet rondom de speld. Zodra de vlam het juiste punt bereikte, viel de speld op de grond en wist je dat er een uur voorbij was. De uitdrukking zou weleens te danken kunnen zijn aan de stilte die nodig was om die 'kaarsklok' te horen.

Het is een fantastische anekdote, en het klopt ook dat monniken en wetenschappers in de middeleeuwen zulke kaarsen gebruikten om de tijd te meten. Maar als herkomst voor onze uitdrukking is het helaas een hardnekkig verzinsel. Die speld viel destijds namelijk niet zachtjes op de grond, maar kletterde met een duidelijke tik op een metalen schaal of tinnen bord waar de kaars op stond. Anders hoorde je de timer immers helemaal niet!

Akoestische test

De echte herkomst van deze uitdrukking is een stuk minder ingewikkeld, maar wel heel logisch. De uitdrukking is al eeuwenoud; onze grote dichter Joost van den Vondel schreef er in de zeventiende eeuw al over. De herkomst is puur gebaseerd op een akoestische test. Wat is het allerzachtste, meest fragiele geluidje dat je kunt bedenken? Een flinterdunne metalen speld die op een houten of stenen vloer tikt. In een normale ruimte met alledaagse omgevingsgeluiden is dat tikje volstrekt onhoorbaar. Pas wanneer een menigte zó alert en ademloos stil is dat werkelijk elk zuchtje wind of kuchje ontbreekt, krijgt de speld de kans om gehoord te worden.

Een vlieg horen vliegen

We zijn hierin trouwens niet uniek. Het idee was blijkbaar zo universeel dat de Engelsen het hebben over ‘you could hear a pin drop’ en de Duitsers zeggen ‘man konnte eine Stecknadel fallen hören’. De Fransen pakken het overigens nét iets actiever aan; die horen in een stille ruimte liever een vlieg vliegen (‘entendre voler une mouche’).

In de loop der eeuwen zijn we de ouderwetse naaispelden in het dagelijks leven steeds vaker gaan vervangen door ritsen en knopen, maar in onze taal blijft de speld onwrikbaar op zijn plek liggen. We gebruiken hem nog altijd voor die zeldzame momenten waarop de hele wereld heel even collectief de mond houdt.

Dus de volgende keer dat de kamer ineens angstaanjagend stilvalt na een gênante opmerking, weet je precies hoe de vlag erbij hangt. De akoestiek is er in elk geval helemaal klaar voor. Nu alleen nog hopen dat iemand de stilte snel weer durft te verbreken.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Het is de wet van Murphy in optima forma: je boekt een idyllische Airbnb in hartje Parijs, maar bij aankomst blijkt het een lekkende bezemkast zonder stromend water te zijn. Of je koopt een tweedehands auto die na exact tien kilometer met een sissende motor de geest geeft. In het Nederlands zeggen we dan dat je in de aap gelogeerd bent. We gebruiken het als de ultieme omschrijving voor de situatie waarin je ongewild in de nesten zit, een slechte deal hebt gesloten of simpelweg zwaar de sigaar bent. Maar wie was deze aap, en waarom hield hij er zo’n slechte hotelservice op na? Tijd om in te checken in het Amsterdam van de zestiende eeuw.[/intro]

De uitdrukking verwijst naar een heel specifiek en roemrucht etablissement aan de Zeedijk in Amsterdam: het Amsterdamse café en logement 't Aapje (tegenwoordig bekend als café In 't Aepjen).

Exotische souvenirs

In de zestiende en zeventiende eeuw was de Zeedijk dé plek waar zeelieden van over de hele wereld samenkwamen na maanden op de woeste oceaan. De eigenaar van dit specifieke logement nam van deze zeelieden, bij gebrek aan contant geld, weleens exotische souvenirs aan als betaling voor de overnachtingen en de drank. Zo raakte de herberg in de loop der jaren overvol met levende apen die de zeelieden uit verre koloniën hadden meegenomen.

Dat klinkt als een gezellige, tropische beestenboel, maar de werkelijkheid was een hygiënische nachtmerrie. De apen zaten onder de vlooien, luizen en andere parasieten, die vrolijk oversprongen op de houten bedden, de lakens en uiteindelijk ... op de gasten. Wie daar een nachtje sliep, lag de hele nacht te krabben en kwam gegarandeerd onder de beten en de jeuk weer naar buiten.

Ronselaars

Bovendien stond de herberg bekend om een nogal duistere praktijk: ronselaars van de VOC hielden er matrozen die hun herbergrekening niet konden betalen nauwlettend in de gaten. Wie diep in de schulden zat bij de waard, werd min of meer gedwongen om te tekenen voor een loodzware, gevaarlijke bootreis naar Oost-Indië om de schuld af te betalen.

Wie destijds dus 'in de aap logeerde', was in alle opzichten zwaar de klos: je zat onder de vlooien én je liep het risico de volgende ochtend wakker te worden met een verplicht enkeltje naar de andere kant van de wereld.

Het logement is tegenwoordig een prachtig, monumentaal café waar je gelukkig volkomen veilig een drankje kunt drinken, maar in onze taal blijft de waarschuwing voor een slechte slaapplaats of miskoop onveranderd populair.

Dus de volgende keer dat je na een miskoop baalt dat je in de aap gelogeerd bent, kun je in elk geval opgelucht ademhalen. Je bent misschien een paar tientjes kwijt, maar je hoeft de volgende ochtend tenminste niet verplicht de zeilen te hijsen op weg naar Batavia. En die vlooien? Die vallen tegenwoordig gelukkig ook reuze mee.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie vroeger weleens weigerde zijn kamer op te ruimen, zijn huiswerk te maken of de vaatwasser uit te ruimen, heeft vast weleens een waarschuwing naar zijn hoofd geslingerd gekregen, gevolgd door: “En knoop dat goed in je oren!” Het is de ultieme, dwingende uitdrukking om te zorgen dat iemand een boodschap nóóit meer vergeet. Maar als je er heel even letterlijk bij stilstaat, is het een bizar beeld. Hoe krijg je in hemelsnaam een stevige zeemanssteek of een simpele platte knoop in je eigen oorschelp? Is het een pijnlijke martelmethode van vroeger, of zit er een anatomisch geheim achter? Tijd om de oren te spitsen en te kijken hoe deze knoop destijds werd gelegd.[/intro]

Geen touw aan vast te knopen

Als we de historische woordenboeken erop naslaan, zien we dat deze uitdrukking pas in de loop van de negentiende eeuw voor het eerst opduikt. Nu denk je bij een knoop waarschijnlijk direct aan die klassieke knoop in je zakdoek, of een touwtje om je vinger. Zodra je die onnatuurlijke bobbel voelt, weet je weer: "o ja, ik moest nog melk meenemen." Maar je oren? Die kun je natuurlijk lastig dubbelvouwen. De werkelijke herkomst is dan ook een stuk anatomischer (en minder pijnlijk) dan je denkt.

Kraakbeen en oorvijgen

Taalkundigen (de ultieme feestbeesten onder de wetenschappers) hebben ontdekt dat de uitdrukking simpelweg verwijst naar de natuurlijke vorm van ons gehoororgaan. Je oorschelp zit namelijk vol met rimpels, plooien en kraakbeenknobbels die vroeger ook wel 'knopen' werden genoemd. Het 'knopen' uit de uitdrukking slaat dus op het gronden, prenten of stevig vastleggen van een verbale boodschap in de reeds bestaande plooien van het zintuig waarmee je luistert. Je stopt de informatie figuurlijk zo diep in de plooien van je gehoor dat het er nooit meer uit kan vallen – of het ene oor in en het andere oor uit kan gaan.

De uitdrukking heeft daarnaast waarschijnlijk een flinke tik meegekregen van onze oosterburen. In het Duits zeggen ze namelijk: ‘sich etwas hinter die Ohren schreiben’. Dat komt uit de tijd dat kinderen bij belangrijke officiële afspraken meekwamen als getuige. Om te zorgen dat ze de dag nóóit meer zouden vergeten, kregen ze ter plekke ... een flinke oorvijg. Auw. Dan bleef het wel hangen!

Digitaal knoopwerk

Inmiddels leggen we onze herinneringen vooral vast in digitale agenda’s en smartphone-notities, maar de denkbeeldige knoop in ons oor blijft onverminderd populair als taalkundig waarschuwingsschot.

Dus de volgende keer dat iemand je commandeert om een afspraak in je oren te knopen, hoef je niet direct bang te zijn voor plastische chirurgie of een middeleeuwse klap tegen je hoofd. Zie het maar als een historisch verzoek om de boodschap heel diep in je kraakbeen te parkeren. Wel zo veilig, en het scheelt een hoop fysiek knoopwerk.

Knoop dit dus goed in je oren: taal blijft verrassen!

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Of je nu praat over het Nederlandse weer dat in de zomer best wel meevalt, of over je kat die negen van de tien keer keurig op de kattenbak gaat: als we een algemene inschatting maken, zeggen we al snel dat iets door de bank genomen wel klopt. We gebruiken het dagelijks als een synoniem voor ‘gemiddeld’, ‘over het algemeen’ of ‘meestal’. Maar over welke bank hebben we het hier eigenlijk? Is het die comfortabele plofbank in de huiskamer, de Rabobank op de hoek, of zit er een heel ander obstakel achter? Tijd om de administratie te openen en te kijken hoe deze rekensom precies in elkaar steekt.[/intro]

Wie bij het woord 'bank' direct denkt aan geldstromen of financiële instellingen, moeten we direct uit de droom helpen. Voor de herkomst van deze uitdrukking moeten we namelijk niet naar de Zuidas, maar naar de middeleeuwse markten en vroege rechtbanken. In die tijd was een 'bank' simpelweg een lange, houten zitbank of een houten toonbank waar kooplieden hun waren op uitstalden.

Op die markten ging het er vroeger nogal eens chaotisch aan toe. Als een handelaar bijvoorbeeld een grote partij vis, graan of lappen stof wilde verkopen, was de kwaliteit niet van elk los onderdeel exact hetzelfde. De ene vis was wat groter en vetter, de andere net wat kleiner. Om te voorkomen dat men over elke haring urenlang moest onderhandelen, werd er een slimme handelsmethode bedacht.

De koopman nam de hele partij goederen die op zijn houten toonbank lag in één keer samen. Hij keek naar de hele hoop, schatte de totale waarde en bepaalde zo een gemiddelde prijs voor de hele bups. De handel werd dus letterlijk 'door de bank', oftewel over de hele toonbank, als één partij 'genomen' (gekocht). Je betaalde niet voor de uitschieters, maar voor het gemiddelde.

In de zeventiende eeuw verhuisde deze praktische marktmethode langzaam naar onze dagelijkse taal. Het 'nemen' werd losgekoppeld van het kopen en kreeg de betekenis van 'beschouwen' of 'inschatten'. Als we iets 'door de bank genomen' bekijken, nemen we dus nog altijd figuurlijk de hele partij in één oogopslag mee om tot een gemiddelde conclusie te komen.

De houten marktkramen zijn inmiddels grotendeels vervangen door digitale webshops, maar onze taalkundige schatting blijft onveranderd overeind.

Dus de volgende keer dat je na een lange vergadering concludeert dat de plannen door de bank genomen best oké zijn, weet je dat je eigenlijk als een rasechte middeleeuwse marktkoopman staat te rekenen. Je kijkt niet naar die ene rotte vis, maar naar de hele kraam. En dat maakt het trekken van een conclusie direct een stuk overzichtelijker.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Na een zware lunch, tijdens een saaie zondagmiddag of net voor je aan de avonddienst begint: soms is er niets lekkerder dan even je ogen sluiten voor een kort middagdutje. In het Nederlands noemen we dat zo mooi een uiltje knappen. We associëren het nu met een heerlijk, onschuldig hazenslaapje. Maar waarom koppelen we onze rust aan een nachtvogel, en wat valt er in hemelsnaam aan zo'n beest te 'knappen'? Tijd om de wekker te zetten en te kijken wie hier de rust verstoort.[/intro]

Wie denkt dat we deze uitdrukking danken aan het feit dat uilen overdag weleens zitten te dommelen met hun ogen halfdicht, moeten we helaas uit de droom helpen. Dit is een klassiek voorbeeld van een volksetymologie: het klinkt logisch, maar historisch gezien klopt er niets van. De 'uil' uit deze uitdrukking vloog vroeger namelijk helemaal niet door het bos, maar fladderde rond in de textielnijverheid en de huishoudens van de zeventiende eeuw.

In die tijd was een 'uil' of 'uiltje' de volksnaam voor een heel specifiek type nachtvlinder of mot. Destijds wist men al dat de larven van deze insecten dol waren op wol en textiel, waardoor ze een enorme plaag vormden in kledingkasten en weverijen. Deze beestjes stonden erom bekend dat ze overdag volkomen stillagen op muren en stoffen of in kledingkasten, om pas in het donker actief te worden. Dat 'knappen' moeten we dan ook heel letterlijk nemen: het betekende destijds kraken, stukknippen of doodknijpen.

Als mensen overdag een rustende nachtvlinder of mot zagen zitten, grepen ze hun kans om het schadelijke ongedierte met hun vingers of een doekje dood te drukken: ze knapten een uiltje. Het 'uiltje knappen' werd al snel een handig eufemisme voor het doen van een dutje. Als je overdag stiekem zat te knikkebollen en werd betrapt, kon je immers vlot beweren dat je doodstil zat te wachten om zo'n roerloze mot te pletten.

In de loop der eeuwen verdween de betekenis van de nachtvlinder naar de achtergrond en dachten we bij een 'uil' automatisch aan de vogel met de grote ogen. Het fanatieke motten-pletten veranderde in onze taal zo langzaam in een vredig dutje.

Dus de volgende keer dat je na de lunch even wegzakt op de bank, weet je dat je historisch gezien eigenlijk op insectenjacht bent. Je bent geen luiaard; je bent in gedachten gewoon heel nuttig de textielvoorraad aan het beschermen. En met dat excuus slaapt het toch net even wat lekkerder.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Je kent het wel: je bent al drie dagen flink verkouden, hebt de hele papieren zakdoekjesvoorraad van de supermarkt erdoorheen gejaagd en dán komt een vriend met de ultieme tip voor een wondermiddeltje. Tja, bedankt voor het meedenken, maar dat is mosterd na de maaltijd. We gebruiken deze uitdrukking massaal voor adviezen, oplossingen of opmerkingen die zo laat komen dat ze volstrekt nutteloos zijn geworden. Maar waarom kreeg mosterd vroeger de schuld van dit slechte timingprobleem? Tijd om het potje open te draaien en te zien waar Abraham de mosterd haalt.[/intro]

Voor de oorsprong van deze culinaire uitdrukking moeten we terug naar de middeleeuwen. In die tijd was mosterd niet zomaar een lekker sausje voor bij de bitterbal, maar een serieus hulpmiddel aan tafel. Men geloofde destijds heilig dat mosterd unieke, medicinale eigenschappen bezat die de spijsvertering een flinke hand hielpen bij het verwerken van zware, vette vleesgerechten.

Het was in de middeleeuwse keuken dan ook vaste prik dat de mosterd tijdens het diner op tafel stond. Je werd geacht je vlees erin te dopen, zodat je maag direct aan het werk gezet kon worden. Als de kok of de bediende echter te laks was en het potje mosterd pas kwam brengen als de borden al waren afgeruimd en de magen al vol zaten, dan sloeg hij de plank volledig mis. De maaltijd was immers al achter de kiezen en de mosterd kon zijn verteringswerk niet meer doen. Dit historische feitje leidde al snel tot het Franse gezegde 'servir de la moutarde après diner', wat we later letterlijk naar het Nederlands hebben vertaald.

In de loop der eeuwen verhuisde deze keukenblunder naar onze dagelijkse taal. De mosterd van nu is niet meer eetbaar, maar heeft de vorm van een te late excuses, een achterhaald advies of een herinnering die binnenkomt als de deadline al twee dagen is verstreken. Het heeft geen enkel nut meer, hoe goed bedoeld het misschien ook was.

Dus de volgende keer dat iemand met een oplossing komt aanzetten als het probleem zichzelf allang heeft opgelost, weet je precies welke culinaire misser diegene heeft begaan. Die staat figuurlijk met een schaaltje scherpe saus bij een lege tafel te wachten op een maag die al vol zit. En dat maakt zo'n nutteloze opmerking een stuk makkelijker te negeren.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Het overkomt de beste weleens: je zit in een langslepende discussie over wie er gelijk heeft of je probeert je oude auto te verkopen voor de hoofdprijs, maar de kopers laten het afweten. Op een gegeven moment denk je: laat maar zitten, ik neem wel genoegen met iets minder. Ofwel: je kiest eieren voor je geld. We gebruiken deze uitdrukking massaal wanneer we bakzeil halen of onze eisen verlagen om groter verlies te voorkomen. Maar waarom ruilen we onze harde knaken in voor een doosje eieren als we eieren voor ons geld kiezen? Tijd om de marktkoopman in onszelf naar boven te halen en te kijken naar deze opmerkelijke ruilhandel.[/intro]

Voor de oorsprong van deze uitdrukking moeten we een paar eeuwen terug, naar de zestiende eeuw om exact te zijn, de tijd van keizer Karel V. In die periode was de schaarste aan echt muntgeld in delen van Nederland, zoals Friesland, zó groot dat men in het dagelijks handelsverkeer noodgedwongen overging op betaling in natura. Eieren werden daardoor een officieel geaccepteerd ruilmiddel. De waarde ervan was historisch laag: voor één schamele stuiver kreeg je destijds maar liefst 32 eieren! Niet gek dus dat eieren, net als haverstro en bonen, symbool stonden voor iets dat bijna niets waard was.

Deze extreme geldschaarste zorgde voor een hard dilemma, of je nu als handelaar op de jaarmarkt stond of als arme loonwerker net je klus had afgerond. Je wilde het liefst keiharde guldens of stuvers zien, maar als de markt op zijn einde liep of de boer simpelweg geen munten in zijn zak had, stond je voor een keuze: koppig blijven eisen dat je in cash werd betaald - met het risico dat je met lege handen of een onwisse schuld naar huis ging - óf akkoord gaan met een flinke mand verse eieren.

Men koos in zo'n geval eieren voor zijn geld. Het was misschien niet de lucratieve deal waar je op had gehoopt, maar van die eieren kon je tenminste nog eten of ze later alsnog ergens anders tegen ruilen. Het was beter om íets van waarde te bezitten dan te blijven wachten op geld dat toch niet ging komen. Wel had deze unieke valuta een strakke deadline: een ei moest binnen drie weken geconsumeerd of doorverhandeld zijn, anders veranderde het betaalmiddel abrupt in een stinkend projectiel voor het schandblok.

In die tijd was de eierboer overigens niet de enige met dit probleem; men koos destijds net zo makkelijk 'appelen voor het geld'. Die twee goedkope producten smolten in onze taal later samen tot de bekende uitdrukking 'voor een appel en een ei' (iets voor een spotprijs kopen). En als een taakje tegenwoordig heel gemakkelijk is, noemen we het nog altijd gekscherend 'appeltje-eitje'. Zelfs ons aloude verjaardagsliedje herinnert ons nog aan het bezit van deze eier-valuta: "Ei, ei, ei, en we zijn zo blij!" zingen we nog altijd, al denken we nu eerder aan feeststemming dan aan een zestiende-eeuws loonstrookje.

Dus de volgende keer dat je eieren voor je geld kiest in een discussie om de lieve vrede te bewaren, hoef je je niet het gevoel te hebben dat je hebt gefaald. Je hanteerde gewoon een eeuwenoude overlevingstactiek. Je hebt misschien niet de hoofdprijs in keiharde knaken, maar je gaat in elk geval niet met lege handen naar huis.

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]We kennen allemaal wel die ene collega die tijdens een presentatie niet naar de inhoud luistert, maar struikelt over een verkeerd geplaatste komma op dia vier. Of die vriend die een fantastisch driegangendiner voorgeschoteld krijgt en opmerkt dat het zoutvaatje een beetje stroef draait. Wat een criticaster! In het Nederlands hebben we daar een prachtige, beeldende uitdrukking voor: diegene is spijkers op laag water aan het zoeken. Maar waarom struinen we de waterkant af naar ijzerwaren als we ergens over willen zeuren? Tijd om het anker te lichten en te kijken waar deze uitdrukking vandaan komt.[/intro]

Roept het bij jou meteen de associatie op met een bizar soort strandjutten? Dan zit je verrassend dicht bij de waarheid. Voor de oorsprong van deze uitdrukking moeten we terug naar de bloeitijd van de Nederlandse scheepsbouw, rond de zeventiende eeuw. In die tijd werden houten schepen nog volledig met de hand in elkaar getimmerd. Daar waren duizenden ijzeren en koperen spijkers voor nodig. En ijzer was in die tijd een kostbaar goedje.

Tijdens het bouwen of repareren van een schip aan de kade viel er natuurlijk weleens een spijker in het water. Wanneer het vloed was, lagen die spijkers diep op de bodem en kraaide er geen haan naar. Maar zodra het eb werd (oftewel: bij laag water) kwamen de spijkers plotseling in het zicht te liggen in de modder.

Verloren spijkers zoeken

Arme scheepsarbeiders of schrale lieden struinden dan de drooggevallen oevers af om die verloren spijkers te zoeken. Het was een hoop gedoe voor een minimale opbrengst. Je was enorm veel tijd en energie aan het verspillen aan iets wat eigenlijk heel onbeduidend en klein was, uit armoede of overdreven precisie.

In de loop der eeuwen verhuisde deze activiteit van de scheepswerf naar onze dagelijkse taal. De 'spijkerzoekers' van nu struinen niet meer door de modder, maar door andermans argumenten of plannen. Als je spijkers op laag water zoekt, ben je met een vergrootglas op zoek naar minuscule, onbelangrijke foutjes om toch maar iets te kunnen aanmerken op het grote geheel. Je maakt van een mug een olifant, puur om het kritiek hebben zelf.

Dus de volgende keer dat iemand je een opmerking maakt over een volstrekt onbelangrijk detail, weet je precies wat je moet zeggen. Diegene staat figuurlijk met zijn laarzen in de zestiende-eeuwse modder te graven naar een verroeste spijker. 

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie weleens een poging heeft gewaagd om een bouwpakket van die ene bekende Zweedse meubelgigant in elkaar te zetten zonder de handleiding te lezen, heeft zich vast weleens een rasechte 'stoethaspel' gevoeld. Het woord klinkt als een antiek stuk gereedschap waar je pijnlijk over struikelt, en dat is ook precies wat het is: de ultieme, ietwat nostalgische kwalificatie voor een onhandige kluns. Maar waar komt deze rammelende term eigenlijk vandaan? Tijd om de draad op te pakken en te kijken waar dit woord vandaan komt.[/intro]

Wie denkt dat een stoethaspel een soort antiek bakkerswerktuig is om de versgebakken broden (in Twente en Groningen ook wel 'stoeten' genoemd) uit de oven te vissen, moeten we helaas uit de droom helpen. De werkelijke herkomst is namelijk een stuk minder smakelijk. Volgens de Etymologiebank is het woord een samenstelling van 'stoten' en 'haspel'. Een haspel is van oorsprong een werktuig met een draaias waaromheen garen of touw gewonden wordt. Je kent hem wel van de oma’s in sprookjes die urenlang garen zitten te spinnen.

De haperende haspel

De 'stoot' in dit verhaal komt van het verouderde werkwoord stoeten - dat je inmiddels kent als ‘stoten’ - wat in de zestiende eeuw niet alleen 'een duw geven' betekende, maar ook 'onhandig of schokkerig bewegen'. Een stoethaspel was dus oorspronkelijk een haspel die niet lekker liep. Hij haperde, schokte en zorgde ervoor dat de hele boel in de knoop raakte. Als de as van de haspel krom was of de draaier geen flauw benul had van wat hij deed, kreeg je een 'stotende haspel'.

Rond de achttiende eeuw zijn we dit technische ongemak op mensen gaan plakken en werd de stoethaspel de personificatie van onhandigheid. Men combineerde het schokkerige botsen (stoten) met het warrig opwinden van garen (haspelen) tot de perfecte omschrijving voor iemand die struikelend en haperend door het leven gaat. Het is de menselijke variant van een vastgelopen rits; hoe harder je trekt, hoe meer er kapotgaat. Het woord ademt een soort aandoenlijke lompheid uit die we tegenwoordig ook wel een 'kluns' noemen. Het is een prachtig ouderwets scheldwoord dat eigenlijk veel te leuk is om in de vergetelheid te laten raken, ook al is het voor de stoethaspel in kwestie misschien minder vrolijk.

Dus de volgende keer dat je iemand met een dienblad vol drankjes ziet wankelen, kun je hem met een gerust hart een 'stoethaspel' noemen. Je zegt eigenlijk alleen maar dat zijn interne mechaniekje een beetje stroef loopt. En dat klinkt toch een stuk charmanter dan dat je hem uitmaakt voor een gevaar op de weg, nietwaar?

Lees nog meer interessante woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie weleens ongegeneerd door de spleetjes van de luxaflex de nieuwe auto van de buren heeft bewonderd, is een rasechte koekeloerder. Het woord klinkt als een gezellige zondagmiddagactiviteit met thee en biscuits, maar niets is minder waar. Je hoeft er namelijk geen trommel marietjes voor open te trekken. Maar waarom 'koekeloeren' we eigenlijk als we stiekem staan te spieden? Tijd om het slakkenhuisje te verlaten en te kijken wie er nu echt zit te loeren.[/intro]

Hoewel we bij koekeloeren tegenwoordig direct denken aan intensief spiedgedrag, ligt de oorsprong bij een dier dat niet bepaald bekendstaat om zijn snelle blik: de slak. Volgens de taalgeleerden is het woord namelijk een afleiding van kokeloer of kokerol, oude Nederduitse woorden voor een slakkenhuisje. Die termen vonden hun oorsprong weer in het Oudfranse coque (grote holle schelp).

Als je in de middeleeuwen zat te kokeloeren, kockeloeren of coeckeloeren, leidde je letterlijk het leven van een slak in zijn eigen huisje. Je trok je lekker terug, deed helemaal niets nuttigs en zat een beetje relaxed voor je uit te staren. In 1599 schreef de beroemde Nederlandse taalgeleerde Kiliaan hier al over in het Etymologium Teutonicae Linguae, het allereerste etymologische woordenboek van onze taal. Het was destijds de ultieme omschrijving voor doelloos niksen en een beetje dromerig om je heen kijken.

Er was destijds overigens nóg een betekenis in omloop. In de middeleeuwen werd 'koekeloeren' ook gebruikt als klanknabootsing voor het kraaien van een haan of het roepen van een koekoek. Maar naarmate de eeuwen verstreken, raakte die vogelvariant in de vergetelheid en smolt het woord 'loeren' (scherp kijken) definitief samen met dat trage slakkenbestaan.

Tegenwoordig heeft het woord een veel actievere en soms een tikje bemoeizuchtige bijsmaak gekregen. We zitten niet meer passief in ons eigen huisje te dromen; we komen juist met onze nek naar buiten - als een slak uit zijn schelp - om te kijken wat de buurman aan de overkant allemaal aan het uitspoken is.

Dus de volgende keer dat je betrapt wordt terwijl je over de schutting gluurt, hoef je niet beschaamd weg te duiken. Roep gewoon dat je bezig bent met een historisch verantwoorde onthaastingscursus. Niemand die je dan nog durft te beschuldigen van ordinair spioneren.

Lees nog meer woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Word je weleens vreemd aangekeken omdat je nog steeds een faxapparaat hebt of omdat je werkelijk geen idee hebt wie de grootste influencer van dit moment is? De kans is aanwezig dat iemand je dan gekscherend een 'heikneuter' noemt. Tegenwoordig is het een soort koosnaam voor een nuchtere zonderling die de moderne waan van de dag negeert, maar vroeger was het een behoorlijke sneer naar je sociale status. Tijd om de wandelschoenen aan te trekken en te kijken waar deze bewoner van de heide vandaan komt.[/intro]

De term 'heikneuter' is een samenstelling die ons direct naar de natuur brengt. Het middelste deel van de naam danken we aan een klein, onopvallend zangvogeltje: de kneu. Dit vogeltje (ook wel 'kneutertje' genoemd) houdt zich het liefst schuil in de lage struiken op de hei. Omdat de kneu een nogal bescheiden vogel is die daar een beetje in zijn eentje zit te kwetteren, werd het woord 'kneuter' in de volksmond al snel gebruikt voor een klein, onbeduidend mannetje dat op zichzelf is.

Zet daar de 'hei' voor en het plaatje is compleet. Die heide was vroeger namelijk geen idyllisch vakantiepark, maar onontgonnen, schrale grond waar alleen de armste mensen woonden die zich geen plek in het dorp konden veroorloven. De heikneuter was dus de arme drommel die, net als het vogeltje, op een afgelegen stuk grond zat te rommelen (kneuteren), ver weg van de beschaving en de etiquette van de stad.

In de ogen van de stadse mensen was de heikneuter dan ook een wereldvreemde figuur. Iemand die de laatste mode niet kende en waarschijnlijk meer tegen de vogels praatte dan tegen andere mensen. Het woord werd dan ook al snel een synoniem voor een 'onbehouwen boerenpummel' of een 'onnozele hals'.

Tegenwoordig is dat scherpe randje er vanaf. We gebruiken het nu vooral voor iemand die een beetje wereldvreemd is of zich liever terugtrekt in zijn eigen vertrouwde bubbel dan dat hij de hippe vogel uithangt. Het heeft bijna iets aandoenlijks: de heikneuter is de persoon die nog met een ouderwetse landkaart op schoot zit terwijl de rest van de wereld Google Maps gebruikt.

Dus de volgende keer dat iemand je een heikneuter noemt omdat je de rust van de natuur verkiest boven een druk café, kun je dat gerust als een compliment beschouwen. Je bent gewoon een nuchtere overlever die, net als dat kleine vogeltje op de hei, prima zijn eigen boontjes dopt. En dat woont toch een stuk lekkerder dan in die drukke stad, vind je niet?

Lees nog meer woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie weleens na een lange dag werken thuiskomt en ontdekt dat de rest van het gezin de pan met pasta al tot op de bodem heeft leeggeschraapt, kent het gevoel: je vindt de hond in de pot. Het klinkt als een nogal onsmakelijke verrassing van de kok, of als een heel vreemde plek voor een middagdutje van de Golden Retriever. Maar wat doet die viervoeter daar eigenlijk tussen de laatste restjes stamppot? Tijd om het deksel op te lichten en te kijken wie er nu echt aan het kluiven is.[/intro]

In de tijd dat we nog geen magnetrons hadden om een bordje eten even snel op te piepen, was de regel simpel: wie te laat was, had pech. We moeten terug naar de zestiende eeuw voor de oorsprong van dit gezegde. In die tijd werden potten en pannen niet direct met een sopje en een schuursponsje te lijf gegaan. Nee, de restjes waren voor de trouwe viervoeter des huizes.

Als je dus als laatste aan tafel verscheen en de pot al op de grond stond zodat de hond de laatste beetjes eruit kon likken, dan vond je letterlijk 'de hond in de pot'. Het dier was je voor geweest en jij kon met een rammelende maag naar bed. Het was de ultieme visuele bevestiging dat de keuken gesloten was en de buit al vergeven. De hond was in die tijd dus eigenlijk de vaatwasser van dienst, en jij viste figuurlijk achter het net.

Er is overigens nog een alternatieve, iets minder harige theorie. Sommige taalkundigen wijzen naar de schoorsteen, waar de kookpot aan een ijzeren haak hing die ook wel een 'hond' werd genoemd. Als de pot leeg was en van de haak werd gehaald, keek je tegen die lege 'hond' aan. Maar laten we eerlijk zijn: het beeld van een kwispelende dief die de laatste jus wegwerkt, is natuurlijk veel levendiger en waarschijnlijk ook de reden waarom de uitdrukking zo goed is blijven plakken.

Tegenwoordig gebruiken we het voor elke situatie waarbij je nét te laat bent voor iets lekkers of belangrijks. Of het nu gaat om de laatste bitterbal op een feestje of die ene aanbieding die net voor je neus is weggekaapt: op dat moment ben jij degene die de hond in de pot vindt.

Dus de volgende keer dat je te laat bent voor het eten, kun je maar beter hopen dat de hond ook een luie dag heeft. En mocht je toch met een lege pot in je handen staan? Troost je dan met de gedachte dat je in ieder geval de hond een topavond hebt bezorgd. En dat is toch ook wat waard, vind je niet?

Ben je benieuwd naar nog meer antwoorden op etymologische vraagstukken? Check dan al onze woordweetjes!


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie weleens met open mond heeft staan kijken naar iemand die zijn gazon staat te stofzuigen of die op een maandagochtend besluit om de kozijnen in een neonroze kleur te schilderen, heeft de kreet waarschijnlijk al klaarstaan: "Ben je nou helemaal belatafeld?!" Het is de ultieme verbale handrem. Je bent niet zomaar een beetje in de war; je bent in de ogen van de ander volledig van de pot gerukt, van lotje getikt en krankjorum tegelijk. Maar wat heeft een meubelstuk in hemelsnaam met deze waanzin te maken? Tijd om de poten onder deze krachtterm vandaan te zagen.[/intro]

Wie denkt dat we hier te maken hebben met een fysieke tafel waar we overheen zijn gehaald, zit er zowel naast als een klein beetje op. 'Belatafeld' is namelijk een zogeheten eufemisme, ofwel een netter woord voor een veel grover scheldwoord: 'belazerd'.

In de negentiende eeuw vond men 'belazerd' (afgeleid van de melaatse Lazarus uit de Bijbel) blijkbaar wat te gortig voor de nette huiskamer. In feite vroeg je iemand of hij door de lepra was getroffen. Om toch je frustratie te kunnen uiten zonder direct de pastoor over de vloer te krijgen, begon men woorden te verbuigen. Men koos daarbij voor een woord dat destijds in elk huishouden te vinden was: de latafel. Deze ladekast was een alledaags object, en door 'belazerd' te veranderen in 'belatafeld', kreeg het woord een grappige, bijna deftige klank die de scherpe randjes van de belediging afhaalde. Het is de negentiende-eeuwse variant van 'potverdorie' in plaats van de harde vloek. De klank bleef ongeveer gelijk, maar de betekenis verschoof naar iets wat minder pijnlijk aan de oren was.

Tegenwoordig gebruiken we het woord vooral om iemands geestelijke gesteldheid in twijfel te trekken. Als je iemand vraagt of hij 'belatafeld' is, zeg je eigenlijk: "Je gedraagt je zo bizar dat je gezonde verstand blijkbaar is vervangen door een houten ladekast." Het drukt totale verbazing uit over een actie die zo onlogisch is dat er geen normaal woord meer voor bestaat.

Dus de volgende keer dat iemand met een volstrekt krankzinnig plan komt aanzetten, mag je gerust roepen of diegene helemaal belatafeld is. Je zegt eigenlijk dat zijn logica volledig is omgetoverd tot een onhandelbaar stuk antiek. En dat voelt toch een stuk chiquer dan gewoon 'idioot', vind je niet?

Benieuwd naar het antwoord op nog meer etymologische vraagstukken? Kijk op Taalvoutjes.nl/woordweetjes!


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie weleens een spannende actiefilm heeft gekeken of stiekem met een walkietalkie heeft gespeeld, kent de term wel: "Roger that!" We gebruiken het tegenwoordig vooral om heel gewichtig aan te geven dat we een boodschap hebben begrepen, vaak met een denkbeeldige krakende radioverbinding op de achtergrond. Maar wie is die 'Roger' eigenlijk? Is het de naam van de eerste verkeersleider ter wereld, of zit er een alfabetische code achter deze bevestiging? Tijd om de zendmast af te stellen en te kijken wie er aan de andere kant van de lijn hangt. [/intro]

Wie denkt dat we hier een eerbetoon brengen aan een legendarische piloot genaamd Roger, moeten we teleurstellen. De oorsprong van deze term ligt in de luchtvaart van vóór de Tweede Wereldoorlog. In die tijd was de radioverbinding vaak zo slecht dat hele zinnen wegvielen in de ruis. Om aan te geven dat een bericht was ontvangen, spraken piloten de letter 'R' uit, de eerste letter van het Engelse woord received.

Maar omdat een losse 'R' op de radio makkelijk wegvalt tegen de statische ruis, werd er gebruikgemaakt van het toenmalige spellingsalfabet. In dat alfabet (het voorgeschreven Britse en Amerikaanse systeem van die tijd) stond de naam 'Roger' voor de letter R. Als een piloot "Roger" zei, spelde hij dus simpelweg de R van received.

Rond 1957 werd het spellingsalfabet internationaal gelijkgetrokken naar het systeem dat we nu kennen (het NAVO-alfabet), waarbij de R veranderde in 'Romeo'. Maar omdat 'Roger' inmiddels zo diep in de cockpitcultuur was ingesleten, bleef iedereen het koppig gebruiken. 'Romeo' klinkt immers toch een stuk minder stoer in een gevechtsvliegtuig.

En die 'Roger Wilco'? Dat is de overtreffende trap van braafheid. 'Wilco' is een afkorting van Will Comply ('ik zal de opdracht uitvoeren'). Als je 'Roger Wilco' zegt, roep je dus eigenlijk: "Ik heb je gehoord én ik ga doen wat je vraagt."

Tegenwoordig gebruiken we het vooral sarcastisch als een partner vraagt of we de vuilnis buiten willen zetten, of als we een saaie opdracht van onze baas bevestigen. Het geeft je direct dat gevoel van een actieheld, zelfs als je alleen maar een zak aardappels staat te schillen.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Als er één woord is dat de Nederlandse taal heeft geadopteerd alsof het een verloren gewaand familielid is, dan is het wel 'überhaupt'. We gebruiken het te pas en te onpas: om een punt te maken, om een discussie af te kappen of gewoon omdat het zo lekker gewichtig uit de keel rolt. Maar waar komt deze Duitse indringer eigenlijk vandaan? Hebben we het hier over een officier die boven het gewone volk staat, of is het een taalkundig manusje-van-alles? Tijd om de lederhosen aan te trekken en te kijken hoe dit woord onze taalgrenzen wist te passeren.[/intro]

De term is logischerwijs een samenstelling van de Duitse woorden über (over) en Haupt (hoofd). Wie denkt dat dit iets te maken heeft met een fysiek hoofd, heeft gelijk, al moet je daarvoor wel even terug naar de middeleeuwse veemarkt. Als een handelaar een hele kudde schapen in één keer verkocht, ging hij niet elk dier apart inspecteren op vlekjes of mankementen. Hij keek 'over de koppen heen' (über Haupt) naar de hele groep. Je kocht de handel dus 'in het algemeen', zonder onderscheid te maken tussen de individuele beesten.

In de achttiende eeuw verhuisde dit principe van de veemarkt naar de rechtspraak en de handel. Men ging zaken 'überhaupt' bekijken: niet kijkend naar de specifieke details, maar naar het totaalplaatje dat over alle hoofden heen gold. Het woord 'hoofd' veranderde hierbij van een fysiek lichaamsdeel naar een abstracte eenheid voor 'iedereen' of 'alles'.

In het Nederlands dook het woord pas echt op rond het einde van de negentiende eeuw. Onze taalpuristen van die tijd kregen er direct vlekken van in hun nek en noemden het een overbodige indringer. Waarom zou je 'überhaupt' zeggen als we alternatieven hebben als 'eigenlijk', 'in het geheel' of 'hoe dan ook'? Maar de Nederlander was al verkocht; het woord is namelijk de ultieme taalkundige bulldozer. Zodra je 'überhaupt' in de strijd gooit, veeg je alle lastige details van tafel en dwing je de discussie naar jouw totaaloverzicht.

Het mooie aan überhaupt is namelijk de veelzijdigheid. Je kunt het gebruiken als twijfelgeval ("Gaan we überhaupt wel?"), als versterking ("Dat is überhaupt niet waar!") of als ultieme uitsmijter onderaan een betoog. Het woord heeft een soort autoriteit die onze eigen synoniemen missen. Als je 'überhaupt' zegt, klink je direct alsof je de hele situatie vanuit een helikopterperspectief bekijkt, terwijl je ondertussen misschien alleen maar probeert uit te leggen waarom je de afwas niet hebt gedaan.

Tegenwoordig is het woord zo ingeburgerd dat we bijna vergeten dat het een importproduct is. Het heeft de taalkundige inburgeringscursus met vlag en wimpel gehaald. Zelfs de felste tegenstanders van leenwoorden krijgen het inmiddels niet meer uit hun systeem. 

Dus de volgende keer dat je roept dat je "überhaupt geen zin hebt in deze discussie", bedenk dan dat je eigenlijk als een middeleeuwse schapenhandelaar over de details heen kijkt naar de grote, onvermijdelijke waarheid. Het kost je misschien de moeite om naar de details van de ander te luisteren, maar het levert je wel het ultieme argument op: door over alle koppen heen te kijken, beslis jij waar het gesprek echt over gaat. En daar valt eigenlijk geen speld meer tussen te krijgen.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro] Wie weleens met samengeknepen billen naar zijn benzinemeter heeft gekeken terwijl het volgende tankstation nog kilometers ver weg was, kent het gevoel: het is kiele kiele. We gebruiken deze uitdrukking tegenwoordig voor alles wat maar nét goed gaat, of dat nu een krappe voldoende voor een examen is of een bijna-botsing met een fietser die 'geen voorrang' blijkbaar als een suggestie zag.[/intro]

Maar hoewel de term inmiddels oer-Hollands aanvoelt, is het eigenlijk nog verrassend jong. 'Kiele kiele' dook voor het eerst op in de jaren twintig van de vorige eeuw, onder andere in de teksten van de beroemde Amsterdamse toneelschrijver Herman Heijermans, die de taal van de straat als geen ander wist te vangen.

Destijds had het woord nog een sterk randje van de dieventaal, het Bargoens, waar het symbool stond voor situaties die letterlijk kantje boord waren. Waar die gekke klank vandaan komt? Daar zijn de taalgeleerden het nog niet over eens, al wijzen de sporen in twee richtingen.

De eerste mogelijkheid voert ons naar de scheepvaart. Als een schip 'naar de kiele' ging, betekende dat in het zeemansjargon dat het zonk. 'Kielekiele' zou dan het kritieke moment omschrijven waarop een vaartuig vervaarlijk overhelt: een dubbeltje op zijn kant waarbij het nog maar de vraag is of de kiel het water weer verlaat of dat de vissen voortaan je nieuwe buren zijn.

Een andere verklaring zoekt het een stuk dichter bij de lachstuip, namelijk bij het kietelen. Het woord 'kiele' is een oude variant van 'kietelen', een handeling die iemand in een staat van totale fysieke onrust brengt. Wie gekieteld wordt, wriemelt, lacht en probeert wanhopig te ontsnappen aan de kieteldood. Die staat van onbeheersbaarheid en het gevoel 'op het punt staan uit je vel te springen' zou in de volksmond langzaam zijn overgegaan op elke situatie die dreigde te ontsporen.

Tegenwoordig gebruiken we 'kiele kiele' vooral om aan te geven dat het geluk aan onze zijde was, maar dat we er niet onze hand voor in het vuur durven te steken. Het is de ultieme kwalificatie voor de 'zesjescultuur' en de nippertjes van deze wereld. Het klinkt een stuk vrolijker dan 'het was bijna een ramp', maar de hartslag gaat er niet minder snel van omhoog.

Dus de volgende keer dat je die trein op de allerlaatste seconde haalt, mag je gerust zeggen dat het kiele kiele was. Je bent immers als een volleerd koorddanser over de finishlijn gewiebeld. En dat is toch een stuk sportiever dan gewoon 'mazzel hebben', vind je niet?


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wie denkt dat we bij de uitdrukking 'op je donder krijgen' te maken hebben met een bovennatuurlijke straf van weergod Thor, zit er een paar decibel naast. We kennen het gevoel allemaal: je hebt iets gedaan wat het daglicht niet kan verdragen en voor je het weet staat er iemand tegen je te briesen. Je krijgt op je donder. Maar waarom krijgen we eigenlijk een weersverschijnsel over ons heen als we de mist in zijn gegaan? Tijd om de bliksemafleider te installeren en te kijken waar dit verbale onweer vandaan komt.[/intro]

Het woord 'donder' gebruiken we tegenwoordig vooral voor het lawaai dat na een bliksemflits komt, maar vroeger was het een verzamelnaam voor alles wat met dreiging en geweld te maken had. Volgens de Etymologiebank en het WNT is 'donder' in deze context simpelweg een eufemisme voor je eigen lichaam. Net zoals we 'op je lazer', 'op je sodemieter' of 'op je bast' kunnen krijgen, is de 'donder' een ietwat luidruchtige manier om naar je fysieke gestel te verwijzen.

De link tussen de knal in de lucht en je eigen hachje is echter niet uit de lucht gegrepen. Vroeger geloofde men dat de donder een uiting was van goddelijke woede. Als je 'op je donder kreeg', werd je dus symbolisch gestraft met de kracht van een storm. Het woord 'donderen' werd dan ook al snel synoniem voor hard slaan of hevig uitschelden. Je werd verbaal of fysiek zo hard aangepakt dat het nagalmde in je oren, precies zoals een echte donderslag dat doet.

Interessant is dat we de donder ook in andere uitdrukkingen gebruiken om aan te geven dat iets onvermijdelijk is. Denk maar aan de uitdrukking 'daar kun je donder op zeggen'. Het is een woord met gewicht; je zegt niet dat je 'op je zuchtje wind' krijgt als de baas boos is. Er moet een zekere impact zijn, een knal die de boel even goed opschudt.

Dus de volgende keer dat je op je donder krijgt, kun je jezelf troosten met de gedachte dat je in ieder geval een indrukwekkend onderdeel van het klimaat bent geworden. En zolang het bij verbale donder blijft, trek je gewoon je taalkundige regenjas aan en wacht je tot de bui overwaait. Voor je het weet schijnt de zon weer en is er geen vuiltje aan de lucht.

Benieuwd naar waar 'oelewapper' vandaan komt, of waar je lurven of kladden zitten? Bekijk nog veel meer woordweetjes.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Het is een vraag die menig yogadocent en hovenier uit de slaap houdt: waar zitten die verrekte hurken toch? We roepen te pas en te onpas dat we ergens ‘op zitten’, maar als je een anatomische atlas openslaat, zul je tussen de ribben en de ruitjesspier geen spoor van een ‘hurk’ bekennen. Is het een soort onzichtbaar krukje dat we overal mee naartoe zeulen, of is het simpelweg een taalkundig fabeltje waar we massaal ingetuind zijn?[/intro]

Wie denkt dat de hurk een fysiek lichaamsdeel is dat je bij de lokale slager kunt bestellen, moeten we helaas teleurstellen. De herkomst van het woord is volgens bronnen als de Etymologiebank en Nicoline van der Sijs eigenlijk verrassend logisch, maar ook een tikkeltje abstract. De 'hurk' in 'op je hurken zitten' is namelijk afgeleid van het Middelnederlandse werkwoord hurken of horken, wat weer nauw verwant is aan het woordje ‘hoek’.

Eigenlijk zeg je dus niet dat je op een specifiek vlezig onderdeel van je onderstel plaatsneemt, maar dat je jezelf in een bepaalde hoek hebt gevouwen. Je 'hurken' zijn de hoeken of bochten die je benen maken als je ze volledig intrekt. Het is een prachtig staaltje taalkundige luiheid: we zijn de actie van het buigen gaan benoemen alsof het een object is. Maar in feite zijn je hurken dus net zo denkbeeldig als je 'goede voornemens': ze bestaan alleen als je er actief mee bezig bent. Zodra je opstaat, klappen je hurken in en blijven ze achter in het rijk der verdwenen gewrichten.

Vroeger kenden we overigens ook nog het werkwoord horken, wat toen nog 'luisteren' of 'toegeven' betekende. Dat we tegenwoordig iemand een ‘hork’ noemen als hij zich onbehouwen gedraagt, heeft er misschien wel mee te maken dat je van te lang op je hurken zitten niet alleen stijve kuiten krijgt, maar ook een tikkeltje chagrijnig wordt. In sommige dialecten wordt het woord zelfs gebruikt voor vogels die zich in hun nest nestelen; zij zitten dus de hele dag op hun hoekjes te broeden op een ei.

Leuk bijkomstig feitje: vroeger werd het woord ook gebruikt voor een soort krukje of een lage bank. Dat verklaart waarom we nu nog steeds 'op onze hurken' zitten en niet 'in' onze hurken. Tenzij je natuurlijk heel lenig bent, maar dan noemen we het yoga.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Ben je weleens niet al te zachtzinnig bij je lurven gegrepen? Of misschien wel bij je kladden? Het klinkt als een nogal pijnlijke fysieke ingreep, maar heb jij ze al eens kunnen vinden in de spiegel? Geen zorg: je hoeft de anatomische atlas er niet bij te pakken, want je lurven en kladden zitten simpelweg in je kledingkast.[/intro]

Laten we beginnen bij de lurven. Vroeger was een ‘lurf’ (of ‘lorre’) simpelweg een lapje stof, een flard of een lulletje rozenwater van een kledingstuk. Als iemand je bij de lurven greep, pakte hij je dus eigenlijk bij je jasje of je kraag om je eens flink de les te lezen. Het woord is nauw verwant aan ‘lorren’ (oude lappen), wat ook verklaart waarom je je soms een ‘lor’ kunt voelen als je weer eens flink wordt aangepakt.

En die kladden dan? Dat zijn geen inktvlekken op je arm, maar de mouwen van je jas. Een ‘klad’ was in het Middelnederlands een synoniem voor een afgescheurd stuk doek of een mouw. Iemand bij de kladden grijpen was dus de middeleeuwse variant van iemand bij zijn mouw trekken en zeggen: "Ho eens even, vriend, jij gaat nergens heen!"

Kortom: of je nu bij je lurven of je kladden wordt gegrepen, je outfit overleeft het meestal niet zonder kreukels. Het is overigens ook de reden dat we ‘er met de pet naar gooien’ en niet met onze lurven; die zitten immers vast aan je jas.

Tegenwoordig gebruiken we de uitdrukking vooral figuurlijk, wat een hoop ritssluitingen en knopen bespaart. Wel zo fijn voor je garderobe!


923 shares

Ik snap 'm niet

Het is altijd een gevoelig onderwerp: je salaris. Je verdient meer, maar krijgt altijd te weinig. Toch mag je blij zijn dat je tegenwoordig in euro’s wordt uitbetaald en niet in iets wat je over je patat strooit.

‘Salaris’ komt van het Latijnse salarium. Dat woord is afgeleid van sal, het Latijnse woord voor zout. En nee, dat betekent niet dat een Romeinse soldaat na een veldtocht thuiskwam met een zak Jozo. Hoezo verwijzen we dan naar zout voor de compensatie van onze diensten? Zout was in de Romeinse tijd een waardevol basisproduct. Je had het nodig om eten te conserveren, en het was dus iets waar de Romeinen grif geld aan uitgaven. Het is daarom aannemelijk dat salarium in het begin niet 'loon' betekende, maar een toelage was: een extra bedrag dat je kreeg als vergoeding, bijvoorbeeld om zout te kunnen kopen of als onderdeel van je voorzieningen.

En dan gebeurt er iets wat in taal vaker gebeurt: het woord dat eerst stond voor één specifieke vergoeding, werd gaandeweg het algemene woord voor vergoeding. Dus de betekenis van salarium verschoof van 'zout-toelage' naar 'vergoeding' in bredere zin en uiteindelijk naar 'loon' zoals wij dat nu bezigen.

Dus mocht je bij je volgende functioneringsgesprek opslag willen, dan kun je dat historisch onderbouwen. Pak een leeg zoutvaatje en zet het zo nonchalant mogelijk op tafel. Of hint dat je eten de laatste tijd wat smakeloos is. Begrijpt je baas het dan nog steeds niet, dan kun je hem altijd nog je ongezouten mening geven.

Wil je de herkomst weten van een bepaald woord? We zoeken het graag voor je uit! Laat het ons weten.


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Onze taal verandert constant. Er ontstaan mooie nieuwe woorden, maar er zijn ook mooie oude woorden verdwenen. Dirk Geirnaert en Roland de Bonth verzamelden in hun boek Klimaatschieter, dwangzoen en kastelen in Spanje: woorden die we wisten een uitgebreide collectie woorden uit de tijd dat men de tabak nog dronk en de klimaatschieters zich juist niet actief inzetten. [/intro]

Door: Berith van Pelt

Het boek is opgebouwd als een verzameling woordweetjes, zoals je die ook van ons kent. Maar waar wij op zoek gaan naar de etymologie van woorden die we nu nog gebruiken, onderzochten deze auteurs de betekenis en herkomst van woorden die in onbruik zijn geraakt. Want zeg nou zelf, welke vreetoppen en buikgezinden eten er nu nog kalikoet met Kerst?

Het boek geeft dus een inkijkje in het prachtige Nederlands van vroeger. Sommige woorden die de auteurs de revue laten passeren, kennen we nu nog, maar dan in een andere betekenis. Het woord slijtage bijvoorbeeld. Andere woorden zijn geheel uit het hedendaagse taalgebruik verdwenen.

Als lezer ontdek je niet alleen de betekenis en herkomst van de woorden, maar maak je ook kennis met de historische context waarin het woord gebruikt werd. Zo zijn in elk hoofdstukje korte passages uit historische teksten opgenomen, waarin duidelijk wordt hoe het woord in tekst gebruikt werd. Daarnaast leer je tussen de regels door ook nog iets over de ontwikkeling van het Nederlands en de historische gebeurtenissen die hierbij van belang waren. Wist je bijvoorbeeld dat niemand minder dan Maarten Luther het woord voorhuid in onze taal heeft geïntroduceerd?

Na het lezen van dit boek heb je dus je woordenschat aanzienlijk uitgebreid. Weliswaar met woorden die niemand meer gebruikt, maar ook met die woorden kun je indruk maken op je oom en tante op het volgende verjaardagsfeestje. En vergeet ze niet te bevaarwellen als je weer naar huis gaat!

Is dit een boek voor jou?

JA – Als je iemand liever uitmaakt voor asvijster dan voor sukkel of luiwammes. Dat zal ‘m leren!

NEE – Als je woorden alleen gebruikt om nu te kunnen communiceren. Dat is waar ze voor bedoeld zijn, toch?


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Helemaal van deze tijd is het opsporen van racistische, politiek of maatschappelijk incorrecte woorden. Na de jodenkoeken, negerzoenen, moorkoppen, blanke vla, zigeunersaus en Zwarte Piet, dook er recentelijk een ‘nieuw’ woord op dat een ongewenste connotatie zou oproepen: picknick.[/intro] Door Fred Baggen

Picknick

Aan het door hele volksstammen geliefkoosde uitstapje met verse, ambachtelijke producten op een kleedje, dat wordt uitgespreid op een moszachte bosbodem of frisgroen weidegras, inclusief de onvermijdelijke mieren en wespen, kleeft sinds kort een bittere smaak: 'picknick' zou zijn afgeleid van schokkende praktijken op Amerikaanse katoenvelden in de negentiende eeuw, toen willekeurige plantageslaven rond het middaguur werden gelyncht, terwijl door de blanke slavenmeester en zijn familie werd geluncht. ‘Pick a nigger’ zouden zij hebben geroepen, waarna een van de ongelukkigen werd uitgekozen en opgehangen. Het is een hardnekkige urban legend, die al minstens vijftien jaar op internetfora circuleert. In augustus 2015 beriep een Surinaams-Nederlandse activist zich op de vermeend racistische herkomst van het woord picknick, en kapittelde de nieuwe online supermarkt Picnic vanwege de beladen naam. Of de man in kwestie de herkomst van het gewraakte woord echt niet kende of dat hier sprake was van een fraai staaltje etymoliegen, is onduidelijk. Wel weten we dat de werkelijke etymologie van het woord stamt van het Franse pique-nique, dat al in 1649 figureerde in de boektitel Les charmans effects des Barricades, ou l’amitie durable de la Compagnie des Freres Bachiques de Pique-nique, een satire geschreven ‘en verse Burlesque’, over gourmandise (gulzigheid, lekkerbekkerij) tijdens de Fronde, een opstand in Frankrijk tegen het beleid van kardinaal Mazarin. Pique-nique is enerzijds waarschijnlijk een rijmende reduplicatie van piquer ‘prikken, oppikken’ en zo zou het woord ‘(maaltijd van) prikje doen, dingetjes pakken’ kunnen betekenen; anderzijds is er een mogelijk verband met nique, Oudfrans voor ‘niets, waardeloos ding’, hetgeen in combinatie met piquer leidde tot de samenstelling pique-nique, die in dat geval ‘(maaltijd van) onbelangrijke dingetjes prikken’ zou betekenen.

Kill your darlings

Veel minder bekend is dat ook de door schrijvers en redacteuren veelvuldig gebezigde uitdrukking ‘kill your darlings’ een tot nu obscuur gebleven dramatische achtergrond heeft. De uitdrukking is onder anderen aan William Faulkner toegeschreven, maar voor de oorsprong moeten we naar het negentiende-eeuwse India, waar de Britten vanaf 1850 op grote schaal theeplantages begonnen te exploiteren, onder meer in het district Darjeeling. Algauw ontstond er een tekort aan handige theeplukkers en moesten arbeiders uit het naburige Nepal worden gerekruteerd. Toen deze immigranten na jaren van uitbuiting hogere lonen eisten van de Britse handelsgezanten, werd dit botweg geweigerd. De Nepalezen legden zich daarbij neer, maar de lokale theeplukkers uit Darjeeling waren furieus en eisten een betere vergoeding voor het uitputtende werk. Op de Manbari Basti Tea Garden brak een arbeidersopstand uit die door ‘functionarissen’ van de Britse Oost-Indische Compagnie bloedig werd neergeslagen. Toen een Indiase plantation master zich tegenover een van de Britse diplomaten over het buitensporige geweld beklaagde, zou deze flegmatiek hebben geantwoord: ‘We don’t care about your Darjeelings. We just kill your Darjeelings.’ In later jaren is de uitspraak, die tot grote verontwaardiging leidde en die het einde van de Britse Oost-Indische Compagnie inluidde, een eigen leven gaan leiden en om evidente redenen ingekort tot ‘kill your darlings’, maar dat is andere thee. [line] Onder correctoren 'Etymoliegen' is een lemma uit het boek 'Onder correctoren'van Fred Baggen. Een grappige verzameling taalweetjes, curiositeiten, voorbeelden uit de corrigeerpraktijk, verhaaltjes, een exclusief interview met een literair vertaler, gekke typografische en taalkundige experimenten en nog veel meer ...

WINACTIE

Enthousiast geworden? Wij mogen drie boeken weggeven! Laat ons in een reactie hieronder of op Facebook weten wat het leukste, grappigste of pijnlijkste is dat jij tegen bent gekomen bij het redigeren van een tekst. Onder de inzenders verloten wij drie exemplaren van 'Onder correctoren'.

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Op een vrijdagavond praat vriend X mij bij over zijn recente reis naar Indonesië in een – hoe kan het ook anders – Indonesisch afhaalrestaurant in de Jordaan. De invloed van Nederland is nog op veel plekken merkbaar, vertelt hij terwijl we op ons eten wachten. De koloniale architectuur in steden als Bandung en Semarang op Java is een goed voorbeeld daarvan, maar ook het Bahasa, de officiële taal. Duizenden woorden zijn ontleend aan het Nederlands.[/intro] “Sommige woorden zijn makkelijk herkenbaar,” zegt X. “Een wortel is een wortel, een sadel een zadel en een stempel een stempel. Je vraagt de rekening in een restoran en krijgt de karcis voor de bioskop. En gratis is uiteraard gratis.” Bij andere woorden denk je "Oh, natuurlijk!", als iemand je erop wijst: andil (aandeel), ongkos (onkosten), gorden (gordijn) en handuk (handdoek). En dan zijn er nog woorden waar je de nodige etymologische fantasie op moet loslaten: kortslet is kortsluiting, hotperdom is godverdomme, een bengkel is een garage, afgeleid van ‘winkel’ en een kakus is een toilet, afgeleid van ‘kakhuis’. De Indonesische eigenaar van het restaurant, een verschrompeld mannetje met glimmende pretoogjes, mengt zich in het gesprek. “Typisch Nederlands!”, zegt hij, een slecht humeur veinzend. “Wel opmerken dat de Indonesische taal veel woorden aan het Nederlands dankt, maar niet doorhebben dat het tweerichtingsverkeer is geweest! Jullie hebben ook veel woorden aan ons te danken!” Ik wijs schertsend naar het menu. “Kroepoek, nasi, sambal, saté en ketjap?” “Ja, maar het betreft niet alleen woorden die met eten te maken hebben. Wat dacht je van ‘bakkeleien’. Dat is een op het oog typisch Nederlands woord, maar komt van berkelahi, ‘vechten’ in het Indonesisch. En het Nederlandse ‘pienter’ komt van pintar, dat in het Indonesisch ‘slim’ of ‘bekwaam’ betekent.” We zijn op onze plek gewezen. Thuis aangekomen met onze rijsttafelgerechten, open ik mijn etymologische naslagwerken en vind een heleboel andere Indo-Nederlandse pareltjes. Onder de favorieten: ‘pakkie-an’, dat teruggaat op het Indonesische woord bagian oftewel ‘afdeling’, en ‘branie’, van het Indonesische berani, ‘stoutmoedig’. Ook X buigt zich over de boeken. “Ha! Ik voel me nu een echte gladjakker,” geeft hij toe. “Ook een woord dat van origine Indonesisch is, trouwens. Waarschijnlijk een combinatie van Maleis geladak, ‘zwerfhond’, en Javaans gladag, ‘lastpaard’, lees ik hier.” “Dat is amper te geloven!” zeg ik, met het boek Uit Oost en West: Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië voor mijn neus. “Amper, van hampir, ‘bijna’. Je weet toch.” “Dat is kras! Kras, van het Maleise kras, ‘onbuigzaam’.” “Hmm, en dan te bedenken dat we bijna amok maakten met de eigenaar van het restaurant. Amok, ontleend aan Maleis amok, ‘woede, woedend’. Weet je, eigenlijk zouden we nu terug moeten gaan en onze excuses aan hem moeten aanbieden.” X neemt nog een hapje van zijn rendang. “Ik pieker er niet over! Van het Indonesische woord pikir, ‘nadenken’. Ik ga niet meer terug naar die toko! Toko, van het ...” “Ja, ja, I get the picture. Je bent een pienter mannetje, van pintar, ‘bijdehand’. En daardoor ben ik de pisang, van pisang, ‘banaan’. Want door al dit gezwets is mijn tempé nu koud!” “Tabee, van tabe, gegroet!” Bronnen Philippa e.a. (2003-2009), Etymologisch Woordenboek van het Nederlands P.J. Veth e.a. (1889/1910, 2003), Uit Oost en West: Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië http://www.salindo.com/bahasa/onderwerpen2/nederlands_leenwoorden.htm https://indearchipel.wordpress.com/2012/12/17/indonesische-leenwoorden-in-het-nederlands/ [line] Mark MackintoshOver Mark Mackintosh Werken als adjunct-hoofdredacteur bij reismagazine Columbus betekent in het geval van Mark de hele wereld over reizen. Dat doet hij dan ook graag en veel. Op zijn reizen trekt hij ze aan als een magneet: hilarische situaties. Als die dan ook nog met taal te maken hebben, dan kun je ons oprapen. Van ons mag Mark nog veel en vaak de wereld rond.  [line] Heb jij altijd al de herkomst van jouw favoriete woord willen weten? Laat het ons hieronder weten. 

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wanneer ik vroeger klaagde over moeders sponzige tofublokjes, werd mij steevast de mond gesnoerd. ‘Wees dankbaar dat je te eten hebt,’ zei mijn moeder dan, ‘want de kindertjes in Afrika... die zijn straatarm.’ Dit laatste in tegenstelling tot Robrecht-Flip, onze buurman. Robrecht-Flip woonde in een houten villa voorzien van een geornamenteerde dakkapel. De villa stak hoog uit boven onze stulp. Robrecht-Flip was steenrijk, aldus mijn moeder. [/intro] Door ons team van taaltijgers Nou, dat kan mijn moeder leuk vinden, maar ik voel me iedere maand wel een keer straatarm: meestal ergens in de week voordat mijn salaris wordt gestort. Nét iets teveel buiten de deur gegeten, toch dat leuke jurkje gekocht, drie verjaardagen in één maand ... Je kent dat wel. Totdat mijn salaris is bijgeschreven, dan voel ik me ineens weer steenrijk. Het woord straat vindt, zoals zoveel Nederlandse woorden, haar oorsprong in het Latijn. Het werkwoord sterno betekent 'ik leg neer, ik effen, ik plavei'. Het voltooide deelwoord daarvan is strata. Een via strata is dus een geplaveide weg. In de meeste gevallen (uitzonderingen daargelaten) is iemand die op straat leeft niet in het bezit van een goedgevulde portemonnee. Straatarm zou dus eigenlijk niets anders betekenen dan 'net zo arm zijn als zij die op straat leven'. Toch zijn de etymologen het niet eenduidig met elkaar eens: 'straat' zou ook gewoon simpelweg als versterkend woord ingezet kunnen zijn. Als ik zeg dat ik iedere maand een week ‘straatarm’ ben, is dat natuurlijk niet letterlijk zo. Gelukkig hoef ik niet maandelijks een week lang onder een brug te logeren. In mijn geval zou je dus beter kunnen spreken van ‘knakworstjes-arm’: ik mag blijven wonen waar ik woon, maar eet gewoon een week brood met knakworst, totdat mijn banksaldo weer enig teken van leven vertoont. Maar hoe zit het dan met steenrijk? Ook hier komt de huisvesting weer om de hoek kijken. Je huis zegt namelijk veel over het saldo op je bankrekening. Dat geldt nu voor de grootte van je huis, maar vroeger – lees: in de Middeleeuwen – telde vooral het materiaal waarvan je huis gemaakt was. Gewone bakstenen waren ontzettend duur en dus waren de meeste huizen van hout of van leem; kwetsbaar voor brand.  Alleen de allerrijksten konden stenen betalen. Deze letterlijke steenrijke mensen waren eigenlijk een beetje de Bill Gates van de Middeleeuwen. We blijken rijkdom dus vooral te meten aan onderdak: of je überhaupt een dak boven je hoofd hebt en waar dat dak dan van gemaakt is. Dus, zelfs in mijn knakworstjestijd ben ik dus eigenlijk nog steenrijk te noemen. Always look on the bright side of life! Heb je zelf een interessant woordweetje? Stuur in! Ben je heel benieuwd naar de etymologie van een bepaald woord? Laat het ons weten in de reacties!

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Ik voel me geradbraakt. Gisterenavond ben ik met wat vrienden naar de kroeg geweest. Hartstikke gezellig, maar toen ik vanochtend wakker werd, voelde ik me geradbraakt. Echt! Nou, niet echt natuurlijk, want het hele idee achter radbraken is dat je überhaupt niks meer voelt de volgende ochtend. Radbraken was in de middeleeuwen een manier om door de hand van de beul een oneervolle en pijnlijke dood te sterven.[/intro] Ja, straffe straffen, daar wisten ze wel raad mee. En in de rechtspraak werd krom gesproken wat recht was. Als een misdrijf überhaupt al tot een rechtszaak kwam en het heft niet in eigen handen genomen werd. Gelukkig is de rechtspraak de afgelopen jaren enorm doorontwikkeld en is er geen sprake meer van barbaarse straffen voor lichte vergrijpen. (Zijn de Damschreeuwer en de waxinelichthoudergooier trouwens al vrij?)

Kaak

Kaak We zouden deze zaken eens aan de kaak moeten stellen. Maar dan niet in de letterlijke betekenis van de uitdrukking. De kaak was een schavot waarop een misdadiger werd vastgebonden om publiekelijk te worden gestraft voor wat hij op zijn kerfstok had. Iets op je kerfstok hebben klinkt ernstiger dan het was. Ik realiseerde me net dat ik nooit zonder mijn kerfstokken van huis ga. Dan heb ik het natuurlijk over de moderne variant.

Kerfstok

Een moderne kerfstok De oorspronkelijke kerfstok was een stok met kerfjes erin (je meent het?!). De kerfjes gaven aan hoeveel schulden de debiteur op enig moment bij zijn schuldeiser had. Je kon beter niet te lang wachten met terugbetalen, want de straf voor diefstal was - zeker in de vroege middeleeuwen - vaak hoger (de doodstraf) dan voor moord (een geldboete). Maar verder zat het rechtssysteem prima in elkaar.

Jaar en dag

In een schrikkeljaar kreeg je een extra dag Terug naar de Damschreeuwer. Volgens mij zit hij echt sinds jaar en dag opgesloten. En dan bedoel ik niet 366 dagen, zoals de duur van de verjaringstermijn van een contract in de middeleeuwse rechtsgang. Overigens bestond een levenslange straf uit honderd jaar plus een dag. De levensverwachting was destijds dertig jaar, dus dat was drie keer levenslang!

Vierschaar spannen

Schaar Dit was mijn eerste woordweetje voor Taalvoutjes. Ik zou het waarderen als jullie in de reacties de vierschaar spannen (rechtspreken). Het ophangen van touwen (schaar) gaat wat lastig online, dus jullie mogen me zonder enige vorm van proces aan de schandpaal nagelen. Maar doe het een beetje zachtjes. Ik voel me nog steeds geradbraakt. [line] Over Floris Mein Columnist Floris MeinDacht jij dat de mensheid simpel in te delen was in alfa- en bètatypes? Dan hebben we de uitzondering op de regel te pakken. Overdag goochelt Floris met cijfers bij een bekende bank, 's avonds begeeft hij zich in de krochten van de taal. Als Bloggende Bankier deelt hij zonder enige gêne zijn trauma's met strenge bibliothecaressen of date-ervaringen op Tinder. Dat hij überhaupt tijd vindt om te daten mag een wonder heten, want hij schrijft ook nog eens op vaste basis voor Taalvoutjes. Dat houdt hem in elk geval uit de buurt van allerhande Xantippes. 

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]What did the French ever do for us? Wat denk je van de honderden woorden en uitdrukkingen die ze aan de Nederlandse taal cadeau hebben gedaan?[/intro] Veel buitenlandse vrienden die me op komen zoeken in Amsterdam vinden dat het Nederlands als een combinatie van Engels en Duits klinkt. De Franse invloed op onze taal komt vrijwel nooit ter sprake. En dat terwijl het Frans tot begin vorige eeuw de voertaal van de elite in Nederland en de rest van Europa was. Er werd toentertijd net zo vrij van de Franse taal geleend als tegenwoordig van het Engels. Gevolg: honderden Franse woorden en uitdrukkingen die we nog steeds dagelijks bezigen, maar waarvan we in veel gevallen niet eens weten dat ze van origine Frans zijn. Ik probeer dat aan mijn buitenlandse logés duidelijk te maken aan de hand van een Frans-Nederlands abc: een collectie onzinverhaaltjes waarin Franse woorden op alfabetische volgorde zijn gerangschikt. Ik ben inmiddels tot de helft van het alfabet gekomen. Wie voelt zich geroepen een bijdrage te leveren aan de andere helft? Dank je wel, merci!

De A van amuses en affaires

De ambassadeur van Spanje, een autoritair en arrogant mannetje, is gisteren na een attaque per ambulance naar het ziekenhuis van Courchevel vervoerd. Hij had tijdens het après-skiën avances gemaakt naar de vrouw van zijn Belgische collega. Hij kon door haar gekke accent – en het feit dat ze net een amuse van aubergine in haar mond had gestopt – niet alles verstaan wat de dame zei, maar ze ging duidelijk niet in op zijn avances en sloeg alarm. “Wie denk je wel dat je bent?” vroeg ze, “François Hollande? Afijn, ik zit echt niet te wachten op een affaire. En allez, ik kan echt wel wat beters krijgen! Wie kan jou nou au sérieux nemen? Aju!”

De B van bonnefooi en besognes

Twee bandieten overvielen vorige week op de bonnefooi een bijouterie aan een drukke boulevard. “Vul deze bagagetas met juwelen!” bevalen ze de man achter het bureau. “Mijne heren, het is niet bepaald bon ton om een vuurwapen op iemand te richten”, antwoordde deze met bravoure. “En het is zeker niet mijn bedoeling te badineren of uw overval te bagatelliseren, maar ik heb niets van waarde. Ik run een Franse concept store voor de beau monde en bon vivants, maar veel levert het nog niet op. Ik verkoop slechts wat bric-à-brac, bonbons en een lekkere kruidenbouillon. Kunt u zich dan ook richten op een andere branche? Ik heb al genoeg bourgeois besognes!”

De C van chefs en chantage

Laatst stapte een bekende cabaretier en coryfee van de Nederlandse theaterwereld na weer een uitverkochte voorstelling in de taxi. De chauffeur herkende hem meteen. “Chef! Ik ken jou! Vertel eens wat over het leven achter de coulissen!” De cabaretier was moe maar toonde zich coulant. “Je kunt me alles vragen”, zei hij. “Je krijgt van mij carte blanche.” Na een ritje van slechts vijftien minuten werd de chauffeur geboden te stoppen bij een café. “Dat is dan vijftig euro, in kleine coupures als het even kan.” “Vijftig euro voor dat ritje?” schreeuwde de cabaretier. “Dat is je reinste chantage!” “Tsja, we kunnen niet allemaal louter van onze charmes leven en alles cadeau krijgen.” Gefrustreerd reikte de cabaretier naar zijn portemonnee, maar moest tot zijn grote consternatie vaststellen dat die leeg was. “Wat een catastrofe, ik heb geen contant geld meer! Accepteert u ook cheques?” “Crimineel!” brieste de chauffeur. “Mijn taxi uit, voordat ik je castreer!”

De D van doceurtjes en derrières

De douane op Schiphol is vaak het decor van illegale praktijken. Toeristen proberen douaniers met douceurtjes te paaien om verboden souvenirs toch het land binnen te krijgen. In de meeste gevallen gaat het om delicatessen die bedoeld zijn voor een chic diner. Maar sommige souvenirs passen niet eens in een tas of koffer. Zo probeerde laatst een Franse documentairemaakster een dressoir van ivoor door de douane te loodsen. Toen de douaniers haar de toegang weigerden en met enig dedain naar haar papieren vroegen, ging ze met haar dikke derrière op het dressoir zitten. “Ik sta niet op voordat jullie me erdoor laten", zei ze stellig, terwijl ze frummelde aan haar decolleté. “Mijn man wacht al uren buiten in zijn deux-chevaux om dit pronkstuk naar het depot te brengen. Ik ga niet verder in discussie met u!”

De E & F van embonpoints en fondant

De etaleur van het chique warenhuis wachtte op zijn oudere collega bij de entree van de derde etage. Hij had hem nog nooit ontmoet en was gespannen. Hoe zou de samenwerking met deze éminence grise verlopen? Zelf stond hij te boek als een enfant terrible. Zijn frappante winkelramen waren een explosie van kleuren; het tegenovergestelde van het elegante werk van zijn collega. De twee vormden desalniettemin de fine fleur van hun kleine wereld. Na twintig minuten verscheen de man in een wolk van eau de cologne eindelijk met zijn volledige entourage: twee persoonlijke assistenten en drie stagiairs. Zijn conculega was minder intimiderend dan gedacht – was dat een stevig embonpoint dat hij zo en profil door die bonte blouse heen zag? Hij wilde hem bijna fouilleren om het te verifiëren. Door zijn zenuwen vergat hij tot overmaat van ramp even de etiquette en zoende de beste man en plein public op de lippen. Wat een enorme faux pas! Wat een farce! “Je vorige etalage was exquis”, zei hij snel, alsof er niks aan de hand was. “Merci”, antwoordde zijn collega. “Maar nu is het tijd voor de grote finale! Een spectaculaire etalage waar veel mensen op af komen kan het warenhuis voor het faillissement behoeden.” Hij knikte en lachte iedereen vriendelijk toe. “En als we vanavond klaar zijn met ons werk, dan gaan we allemaal bij mij thuis fonduen, met fondant toe!”

De G & H & I van gourmetten, honneurs en idioten

De gouverneur keek nog eens op zijn horloge. De monteur was al een al half uur te laat en nergens in de enorme garage te bekennen. Het humeur van de bewindsman verslechterde met de minuut. Wat een inferieure service! Hij zou zo zeker te laat komen voor het diner in het museum, dat als hommage aan een Franse ontwerper van niet bijster interessante haute couture werd gehouden. De genodigden zouden nu vast nog bezig zijn met de hors-d’oeuvres, maar binnen een uur zou iedereen aan tafel plaatsnemen om te gourmetten. Voor het evenement moest hij de honneurs waarnemen – hij kon het zich niet permitteren nog veel langer te wachten. Zonder enige gêne zocht hij zijn auto in de garage op en reed weg zonder te betalen. Stelletje idioten!

De J & K & L & M van journalisten, kilometers, lingerie en madammetjes

De journalist was al uren door de metropool aan het rijden (gelukkig bood zijn autoverzekering onbeperkte kilometrage) toen hij eindelijk het louche theater vond waarover zijn informant had verteld. Hij trapte iets te snel op de rem, waardoor hij zijn verse jus d’orange over zijn jacquet morste. “Nondeju!”, mopperde hij en parkeerde snel zijn bolide aan de kant van de boulevard. “Twee kaartjes voor de matineevoorstelling”, zei hij tegen de caissière en holde meteen naar de loge. Zou hij al te laat zijn? Aan de rechterzijde van de loge was een onopvallende deur die naar een privékamer leidde. Zonder verder na te denken, liep de journalist met zijn camera naar binnen en vond waar hij voor kwam: de president en zijn maîtresse in een lits-jumeaux. Zij in een sexy kostuum en maillot en hij, quelle surprise, in vrouwenlingerie. De journalist kwam binnenlopen op het moment suprême, maar de president en zijn madam lieten zich niet uit het veld slaan. “Hé, lekker ding, heb je zin in een ménage à trois? We beloven je, het wordt magnifiek; we doen niets met de Franse slag!” [line] Mark MackintoshOver Mark Mackintosh Werken als adjunct-hoofdredacteur bij reismagazine Columbus betekent in het geval van Mark de hele wereld over reizen. Dat doet hij dan ook graag en veel. Op zijn reizen trekt hij ze aan als een magneet: hilarische situaties. Als die dan ook nog met taal te maken hebben, dan kun je ons oprapen. Van ons mag Mark nog veel en vaak de wereld rond. 

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Of humor en Duitsland ooit samengaan, vraagt u? Jazeker, en wel in mijn familie! Mijn moeder is van origine Duitse en mijn vader is een Amerikaan. De lingua franca tussen mijn ouders, mijn zus en mij is dan ook het Nederlands. Maar als we op familiebezoek gaan in Aken, dan moet mijn vader er wel aan geloven en in zijn beste Duits converseren. En dat levert keer op keer komisch taalgoud op.[/intro]

Ein richtiges Loch

Afgelopen weekend was het weer raak. Mijn peetoom, een verse pensionado, vertelde uitgebreid over alle reizen die hij nu van plan was om te maken en de nieuwe Mercedes die voor de deur blonk. "Ach," zei mijn vader, "du hast jetzt richtig ein Loch in der Hand!" Mijn oom keek hem aan alsof hij zich net in zijn Radler had verslikt, en ik keek naar mijn vader met plaatsvervangende schaamte. Hij had een prima letterlijke vertaling gemaakt van de Nederlandse uitdrukking ‘een gat in de hand hebben’, maar de boodschap kwam niet helemaal over. Het Duitse equivalent is ‘jemandem rinnt das Geld durch die Finger’ en hoewel een Duits Loch kan verwijzen naar zo’n beetje elk gat, moest ik − en waarschijnlijk ook mijn oom − vooral denken aan das Arschloch. Er ging een lampje bij mijn vader branden en hij besloot zijn faux-pas met echte Hollandse humor te corrigeren. "Aber das ist kein Problem für dich," zei hij. "Du bist nicht für ein Loch zu fangen!"

Gatverdamme

Waar komen die twee aparte uitdrukkingen vandaan? Wie niet voor één gat te vangen is, is vindingrijk; hij of zij vindt voor elk probleem een oplossing. Volgens de meeste etymologen gaat de zegswijze terug op de jacht. Zo melden zowel het Uitdrukkingenwoordenboek van Van Dale (2006) en Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden van F.A. Stoett dat de uitdrukking verwijst naar het gedrag van konijnen, dassen en vossen. Zij graven holen (of burchten) met meer dan één uitgang. Je kunt ze dus niet vangen door één gat te ‘bewaken’.

Voor de hand liggend

‘Een gat in de hand hebben’ wordt door geen enkel etymologisch woordenboek dat ik heb kunnen vinden besproken, wellicht omdat de betekenis voor de, eh, hand ligt. Een interessante observatie is dat het Nederlands verwijst naar zowel de hand als vingers om iemand te beschrijven die veel geld uitgeeft; je kunt een gat in de hand hebben of geld door je vingers laten glippen. Bij andere talen is ’t het een of het ander. Duitsers zeggen alleen ‘jemandem rinnt das Geld durch die Finger’ en Fransen spreken over ‘l’argent lui fond entre les mains’. En de Engelsen hebben het wel over een gat, maar een gat in je broekzak in plaats van je hand: ‘money burns a hole in somebody’s pocket’.

Bronnen:

M. Philippa e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (2003-2009); F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) ; Van Dale, Uitdrukkingenwoordenboek  (2006).

[line] Mark MackintoshOver Mark Mackintosh Werken als adjunct-hoofdredacteur bij reismagazine Columbus betekent in het geval van Mark de hele wereld over reizen. Dat doet hij dan ook graag en veel. Op zijn reizen trekt hij ze aan als een magneet: hilarische situaties. Als die dan ook nog met taal te maken hebben, dan kun je ons oprapen. Van ons mag Mark nog veel en vaak de wereld rond. 

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Om mijn verjaardag te vieren, reisde ik een aantal weken geleden met Vellah, een van de Taalvoutjes-oprichtsters, af naar Rome voor een weekendje lekker eten en terrasjes pikken. En dat deden we, maar we besteedden bijna net zo veel tijd aan het wachten op bussen die nooit kwamen en het zoeken naar eettentjes die níét de hele dag dicht waren.[/intro]

  Door Mark Mackintosh  

“Cazzo!”, riep ik gefrustreerd, toen we weer eens een half uur hadden gewacht op een bus die er zijn geheel eigen schema op nahield. “Alles leuk en aardig, maar ik begrijp niet hoe dit zooitje ongeregeld ooit een wereldrijk heeft kunnen runnen! En, seriously, what have the Romans ever done for us?” “Daar komt onze bus al”, suste Vellah. “En wat betreft de bijdragen van de Italianen aan Nederland, wat dacht je van alle Italiaanse woorden die in het Nederlands terecht zijn gekomen?”

De Italiaanse invloed

Volgens het Chronologisch Woordenboek van Nicoline van der Sijs zijn dat er welgeteld 360. Er vallen drie tijdperken te identificeren waarin de grootste bijdragen zijn geleverd. Het eerste valt samen met de komst van Italiaanse bankiers in de Nederlanden tussen de dertiende en zeventiende eeuw. Zij introduceerden een nieuwe wijze van handel drijven en betalen, door middel van onder andere wisselbrieven en geldwisselkoersen. Begrippen als ‘incasseren’, ‘valuta’ en ‘bruto en netto winst’ maakten hun opwachting in het Nederlands. De tweede periode valt samen met de renaissance, die in de veertiende eeuw in Italië ontstond en termen uit de schilderkunst, muziek en wetenschap naar Nederland transporteerde. De derde periode is de twintigste eeuw, toen de doorsnee Nederlander verliefd werd op de Italiaanse keuken. Waar zouden Henk en Ingrid zijn zonder hun diepvriespizza, vermicelli en pestopotjes? Aangezien mijn sociale leven toch verre van la dolce vita is, nam ik de tijd om zo veel mogelijk woorden uit deze drie tijdperken te verwerken in een alternatieve versie van de befaamde sketch uit de film Life of Brian. Hopelijk wordt zo duidelijk dat die Italianen nog niet zo slecht zijn.

De wekelijkse besloten werkbespreking van de Nederlandse Taalunie

Teamleider Reg, na een kort intermezzo: “Al die Italiaanse leenwoorden, we worden er gek van! De Italianen hebben het Nederlands besmeurd met hun belachelijke prietpraat. Niet alleen onze taal, maar ook die van onze vaders en onze vaders’ vaders!” Stan: “En van onze vaders’ vaders’ vaders.” Reg: “Ja.” Stan: “En van onze vaders’ vaders’ vaders’ vaders.” Reg: “Oké, Stan, we snappen het. En wat hebben de Italianen ons er ooit voor teruggegeven? Zeg het maar! Tempo, tempo, want ik heb niet de hele dag!” Xerxes: “Muziek! Waar zouden we zijn zonder de klavecimbel, fagot, viool, trombone en contrabas? Of de tenor, sopraan en bas? Er zou geen opera meer zijn, geen aria’s of a capella. We zouden in een verschraald muzieklandschap van Toppers en Marco Borsato’s ronddwalen! En we kunnen nu ook echt dansen op muziek. Een wereld zonder ballerina’s zou een waar inferno zijn.” Reg: “Oké, maestro, klopt, veel muziek en dans hebben we aan de Italianen te danken. Dat zal ik niet ontkennen.” Incognito taalpurist: “O, en architectuur!” Stan: “O ja, architectuur. Reg, zonder de Italianen zouden we in Nederland allemaal nog in plaggenhutten wonen.  Nu hebben we prachtige villa’s met fresco’s, pergola’s en terracotta potten in onze tuinen! En stukadoors!” Reg: “Toegegeven, er is de nodige animo voor Italiaanse muziek, dans en architectuur. Dat zijn drie dingen die furore hebben gemaakt onder de Hollanders. Maar verder?” Xerxes: “Lekker eten ...” Reg: “Ja, nogal wiedes. Lekker eten spreekt voor zich. Ik ben niet zo’n enorme barbaar dat ik geen boodschap heb aan vermicelli, broccoli, polenta, artisjokken, chianti, salami, gorgonzola, ravioli, risotto, spaghetti, martini’s, espresso, minestrone, pizza, mozzarella, lasagne, tagliatelle, carpaccio, tiramisu, ciabatta, pesto, mascarpone, cappuccino of godvergeten tosti’s! Maar wie kan me vertellen wat – muziek, dans, architectuur en lekker eten daargelaten – de Italianen ooit voor ons hebben gedaan?” Een andere incognito taalpurist: “De moderne wetenschap ... Die zou ondenkbaar zijn zonder de telescoop.” Reg: “Oké, oké, daar heb je een punt.” Dito taalpurist: “O, en ons moderne bankstelsel, met internationale firma’s, girorekeningen, deposito’s, incasso’s, valutakoersen, kwartaalbalansen, netto- en brutolonen, negatieve saldo’s, kredieten en obligaten!” Andere taalpuristen: “Kassa’s! Trampolines! Confetti! Stiletto’s! Impresario’s! De lotto!” “Oké, prima, maar muziek, dans, architectuur, lekker eten, de wetenschap, het moderne bankstelsel, trampolines, confetti, stiletto’s, impresario’s en de lotto buiten beschouwing gelaten, wat hebben die Italianen ooit voor ons gedaan? "Ze hebben casino’s geïntroduceerd!” “Wat?! O, casino’s, ja ... Ach, schei toch uit! Deze vergadering is een regelrecht fiasco! Een rampscenario. Met een stelletje diva’s en prima donna’s zoals jullie is geen revolutie te bewerkstelligen; het risico dat alles in de soep loopt is te groot. Het is goed met jullie, ciao!” Iedereen in koor: “Fascist!” Hebben jullie nog meer Italiaanse leenwoorden voor ons in petto onder het motto ‘verlicht andere Taalvoutjes-fans’? Deel ze hieronder!

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Afgelopen week vierde ik vakantie in Turkije en vielen me de bonte rijen tulpen op waarmee zo’n beetje elke straat in het kustdorp was versierd. "Ja, jullie Hollanders hebben op slinkse wijze de tulp als nationaal symbool geclaimd", zei Mehmet, de eigenaar van mijn pension, "maar de bloem komt oorspronkelijk uit Turkije en ook wij zijn er dol op." Ook het woord  ‘tulp’ is van Turkse oorsprong. Het is ontleend aan tulipan en het oudere tülbend, tulband, en verwijst naar de gelijkenis tussen de vorm van de geopende bloem en een tulband.[/intro] Door Mark Mackintosh Door mijn gesprek met Mehmet besefte ik wat voor rijke etymologische voedingsbodem de bloemenwereld is. Er bestaan immers drie soorten bloemennamen: de officiële botanische naam in het Nederlands (zeg, paardenbloem), de botanische Latijnse naam (Taraxacum officinale in het geval van de paardenbloem) en talloze volksnamen (de paardenbloem heeft volgens taalkundige Har Brok in het Nederlands maar liefst driehonderd volksnamen, van ezelsoor en prutoog tot hondebloem en zeiker). Alleen al over de officiële botanische namen in het Nederlands kun je hele etymologische naslagwerken vullen. Om te vieren dat het weer (meteorologisch) lente is, zet ik enkele favorieten op een rijtje. Zet de bloemetjes buiten en vul deze verzameling aan met je eigen lievelingsbloem!

Vergeet-me-nietje

De meest romantische verklaring voor de naam van deze bloem is een middeleeuwse mythe over een ridder en zijn geliefde. Toen de ridder tijdens een wandeling langs een rivier een bosje bloemen voor zijn jonkvrouw plukte, viel hij per ongeluk in het water. Net voordat hij jammerlijk verdronk, gooide hij het bosje bloemen naar zijn geliefde en riep "Vergeet mij niet!".

Orchidee

En waar heeft deze o zo sierlijke bloem zijn naam aan te danken? Zaadballen. Het woord is afgeleid van het Griekse orchis en Proto-Indo-Europese orghi, testikels. Met dank aan de befaamde Griekse botanicus Theophrastus (371 – 287 voor Christus), die blijkbaar de dubbele wortelknol van de bloem enige gelijkenis vond tonen met zijn eigen private parts.

Narcis

Ook de naam ‘narcis’ hebben we waarschijnlijk te danken aan de Grieken. De bloem is volgens veel etymologen genoemd naar de knappe Griekse jongeman Nárkissos (Narcissus in het Latijn), die de liefde van de nimf Echo afwees en voor straf ertoe veroordeeld werd op zijn eigen spiegelbeeld verliefd te worden. Omdat deze liefde per definitie eenzijdig was, kwijnde hij weg en veranderde hij in de bloem die zijn naam heeft gekregen. Maar het omgekeerde is ook mogelijk: dat de mythische jongeman naar de bloem is genoemd. Bronnen: H. Kleijn (1970), Planten en hun naam M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Mijn column over Franse woorden in het Nederlands was zo’n daverend succes (wauw, zes retweets!) dat ik werd geïnspireerd om een vervolgverhaal te schrijven. Over, jawohl, Duitse woorden in het Nederlands. En welk format leent zich daar nou beter voor dan een bonafide krimi oftewel detectiveverhaal? Viel Spaß![/intro]   Door Mark Mackintosh   Het was kort na middernacht toen rechercheur Derrick op de plaats delict aankwam: een überhip bar-restaurant in een verwaarloosd Bauhaus-gebouw. Of was het Jugendstil? Het was nog een drukte van belang; minstens dertig mensen zaten in de kleine ruimte aan de pils, schnaps en glühwein. Overal rook het naar verbrande schnitzel. Kelners raceten af en aan. Een ober stapte op Derrick af. “Herr Kommissar?” De rechercheur knikte. “Grüß Gott, ik ben Kurt, Kurt Weill.” De man loodste hem langs de bar en bracht hem naar een klein, unheimisch achterkamertje. “Immer geradeaus!” In het schamele licht van een bureaulamp lag een man van middelbare leeftijd op zijn rug, zo dood als een pier. Om hem heen lagen allerlei ordners en paperassen op de grond. Tekenen van een ruzie om een waardevol document? Derrick raapte een bebloede föhn van de grond. “Het moordwapen?”, vroeg Weill. Derrick inspecteerde een open wond op de linkerslaap van het slachtoffer. Hij knikte. “Kende u Herr Ketschup goed?” Weill schudde zijn hoofd. “Nee, überhaupt niet. Heinz was nogal een einzelgänger. We zijn een keer gaan abseilen en langlaufen als bedrijfsuitje, maar verder zag ik hem niet buiten het werk om.” “Was Herr Ketschup ook een ober?” “Ja, en nogal een streber. Alles moest perfect zijn: zijn uniform was altijd smetteloos, hij kende het hele menu uit zijn hoofd en meneer moest zich ook altijd bemoeien met het eten. Van zijn collega’s verwachtte hij dezelfde hoge standaard. Hij was rücksichtslos.” “En dus niet bepaald geliefd?” Weill zuchtte. “Wat zal ik zeggen? Ordnung muß sein, maar niet iedereen is een übermensch.” Derrick hing boven het gezicht van het slachtoffer en veegde een vinger over diens wang. “Schmink!”, riep hij uit. “En hij is nog vers!” Hij merkte een kleine plas bloed op onder de rug van de man. “Hmm, nog een aanwijzing! Kunt u mij helpen Heinz Ketschup iets opzij te schuiven?” “Daar heb ik an sich geen probleem mee”, zei Weill. “De lijkschouwer zal hem straks sowieso verplaatsen voor verder onderzoek.” De twee maakten aanstalten om het slachtoffer op te tillen, maar plots zwaaide de deur open en stond in de opening een gezette blonde dame. Met een baard. “Niets daarvan! Ketschup aanraken komt überhaupt niet im frage [correct Duits: in Frage]!” “En u bent?”, vroeg Derrick. “Lili, Lili Marleen”, snoof de vrouw. “Zijn levenspartner.” Ze keek vol minachting naar Weill. “Luistert u niet naar deze Neanderthaler. Hij wil u doen geloven dat mijn lieve Heinz alleen leefde voor zijn werk als ober, maar niets is minder waar. Deze bar was slechts een schnabbel voor hem. Zijn echte leven speelde zich af op de bühne.” “Waar hij u leerde kennen?”, vroeg Derrick. “In het circus”, zei Marleen triomfantelijk. “Ik was de bebaarde vrouw, hij een van de clowns. Ach, wat had hij daar toch een geweldig fingerspitzengefühl voor! Vooral zijn act met rottweilers deed hij altijd met zo veel schwung, zoveel emotie, zoveel weltschmerz! Fabelhaft! In Transsylvanië, waar ik oorspronkelijk vandaan kom, hadden we een soortgelijke volksdans. Ach, ik krijg heimwee als ik eraan denk!” Weill brieste. “Luister dame, ik werkte elke dag samen met Heinz. Ik ken mijn pappenheimers en die man had geen enkel verstand van al dat artistieke gefröbel! Hij wist alles van eten af, maar van kunst? Ho maar! De beste man was totaal niet salonfähig!” Marleen keek met tranen in de ogen naar het levenloze lichaam van haar Heinz. “Stop met deze hetze tegen de liefde van mijn leven!”, zei ze. “Heinz verdient respect. Hij heeft geen makkelijk leven gehad. Na de krach van 1987 verliet hij de zakenwereld en stortte zich in een zangcarrière. Maar zijn schlagers werden maar geen hits en belandden vrijwel meteen in de ramsj. Hij werd er zo depressief van dat hij zich aanmeldde voor Gestalttherapie. Zo kwam hij op het idee om bij het circus te gaan. Zijn redding.” Derrick had een aha-erlebnis en wendde zich tot Weill. “Das Lied ist aus, ook voor u, Herr Weill!” “Wat bedoelt u?”, zei deze geschrokken. “Kom, kom, geen spelletjes”, zei Derrick. “Net als Herr Ketschup hebt ook u ambities buiten deze bar! Maar voor u geen circuskitsch of schlagers. Ik was laatst in het volkstheater en zag uw naam prijken op het programma. U timmert hard aan de weg als componist!” Derrick keek naar alle papieren op de grond. “Het viel mij bij binnenkomst op dat de helft van deze papieren, naast ansichtkaarten en rekeningen, uit bladmuziek bestaat.” Hij raapte een aantal bladen van de grond op en las hun titels hardop voor. “Die Seeräuber-Jenny, Mackie Messer, Zuhälter-Ballade … Dit is allemaal uw werk! Herr Ketschup had de liedjes gestolen om voor zichzelf te claimen en zijn zangcarrière nieuw leven in te blazen! Zum kotzen!” Weill barstte in tranen uit. “Ja, ja, het is waar, ik geef het toe! Ik kon deze creatieve putsch niet toelaten. Verdammte Scheiße, ík ben hier het muzikale wonderkind!”     Wil jij taalnazi spelen en heb je correcties of toevoegingen? Geef hieronder commentaar.
Taalvoutje

Woordweetje: bril

Woordweetje: bril

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Twee derde van de Nederlanders zet hem dagelijks op en de meesten van ons gaan er ook op zitten: de bril. Toch vragen weinigen zich waarschijnlijk af hoe het ding aan zijn naam komt. De vraag werd me onlangs voor de voeten geworpen, uit onverwachte hoek.[/intro]   Door Mark Mackintosh   “Mark, hoe oud ben jij?” vroeg een van de dochtertjes van een vriendin. “Raad eens.” “Vijfenvijftig?” “Nee lieverd, ome Mark is nog niet met prepensioen. Raad nog eens.” “Tweeëntwintig?” “Haha, dat mocht ome Mark willen! Nee, ik ben zevenendertig, schat.” “Wow! Dat is oud!” klonk het uit het vijfjarige strotje. “Heb je niet een bril nodig?” “Alleen eentje om op te poepen, meissie.” Toen het lieve kind was bijgekomen van het schaterlachen (op haar leeftijd zijn poep- en plasgrappen steevast een hit), trok ze een serieus gezicht. “Waarom heet een wc-bril een wc-bril?” Een brrriljante vraag. En eentje die ik moest opzoeken. Het woord ‘bril’, zo beweert het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands van M. Philippa e.a., is ontleend aan het Latijnse beryllus, dat op zijn beurt afstamt van het Griekse berullos. De Grieken hebben het woord geleend van het Middelindische veruliya, waarvan wordt vermoed dat het teruggaat op de Indiase stad Velur (tegenwoordig Belur). Het zijn stuk voor stuk verwijzingen naar de (half)transparante kwartssoort beril, waarvan rond 1300 in Noord-Italië de eerste brillen werden gemaakt. Hoogstwaarschijnlijk voor en door monniken, die in de middeleeuwen tot de geletterde minderheid van de bevolking behoorden. De monniken kwamen trouwens niet als eerste op het idee om een mineraalsoort te gebruiken om iets mee te vergroten. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Plinius de Oudere keek keizer Nero door een smaragd, een soort beril, naar zijn geliefde gladiatorengevechten, vermoedelijk omdat hij bijziend was. Dit is de oudste vermelding van wat een bril kan worden genoemd. Ook ons woord ‘briljant’ gaat uiteindelijk terug op beril. Het is ontleend aan het Franse brillant (schitterend, stralend) en het Italiaanse brillare (schitteren, stralen), dat waarschijnlijk is afgeleid van het middeleeuws-Latijnse werkwoord berillare, schitteren als beril. De letterlijke betekenis van het woord ging geleidelijk over in een figuurlijke, aanvankelijk om iets als rijk of overdadig aan te duiden en vervolgens om prestaties en mensen als zeer knap of fraai te beschrijven. Van die figuurlijke betekenis zijn, zo meldt het Woordenboek der Nederlandsche taal, reeds uit de achttiende eeuw voorbeelden bekend. De betekenis ‘deksel van het gemak, wc-bril’ is afgeleid van de bril die je op je neus zet en dus niet andersom. Het woord is, zo merkt het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands op, "vermoedelijk ontstaan uit een betekenis ‘rond voorwerp met een gat erin’". Wie zich op een uitgebreidere etymologische uitleg zat te verheugen, moet ik helaas teleurstellen. Maar blijf het leven vooral door een roze bril bekijken; over twee weken ben ik terug met een nieuw woordweetje en zal ik je weer een poepie laten ruiken!  Heb jij een woord waarvan je de herkomst graag wilt weten? Laat het Mark hieronder in een reactie weten. Beeld: Sanigids.nl

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Er bestaan zoveel scheldwoorden in het Nederlands die je de akeligste aandoeningen toewensen, dat columnist Mark Mackintosh er beroerd van wordt. Wat ligt er ten grondslag aan dit ellendige taalverschijnsel?[/intro]   Door Mark Mackintosh   "Ik ben heel erg geschrokken van de Nederlandse taal," biechtte de Amerikaanse auteur David Sedaris me laatst op tijdens een interview aan een Amsterdamse gracht.

"Jullie scheldwoorden zijn echt vreselijk."
 Ik keek hem met grote ogen aan. 
"Ik heb het over het feit dat jullie elkaar de ergste ziektes toewensen. 'You typhoid whore!', bijvoorbeeld. Of: 'Beat it, you fucking cancer retard!'  Daar zou je in Amerika niet mee aan moeten komen! Je zou waarschijnlijk worden aangeklaagd." Sedaris nam een slokje van zijn thee en vervolgde zijn gedachtenstroom. 
"Gisteravond was ik op een cocktailfeestje, waar ik aan een Nederlandse genodigde suggereerde dat er misschien naar minder kwetsende alternatieven kon worden gekeken. ‘You fucking flue bitch!’ misschien. Of: ‘Hey, gonorrhea dick!’, in plaats van ‘You cancer dick!’  De vrouw wuifde mijn voorstel lachend weg. "Welnee, wat heeft het nou voor zin om ziektes te gebruiken die niet dodelijk zijn?", vroeg ze retorisch. Ik verslikte me zowat in mijn drankje. "Kolere!" Populaire aandoeningen Waar komt de obsessie van de Nederlandse taalgebruiker met ziekteverwensingen toch vandaan? Het uiterst leerzame boek Krijg de vinkentering!; 1001 Nederlandse en Vlaamse verwensingen van Ewoud Sanders en Rob Tempelaars meldt dat er in waarschijnlijk geen enkele andere (westerse) taal zo frequent gebruik wordt gemaakt van ziektes om iemand uit te schelden. Er was ook gepeild welke aandoeningen het vaakst in verwensingen worden gebruikt. Kanker staat onbetwist bovenaan, gevolgd door (vormen van) diarree, tering en tyfus. De groep wordt gevolgd door (vormen van) koorts, pest, colère (klere), pleuris en pokken. Jiddisch De gerenommeerde taalkundige Reinhold Aman vermoedt dat dit Nederlandse taalverschijnsel een Jiddische oorsprong heeft (zie ook mijn column 'Koosjer Roodkapje'), aangezien ziekteverwensingen verder alleen nog in het Hebreeuws voorkomen. Maar dat lijkt de auteurs van 'Krijg de vinkentering!' onwaarschijnlijk: “Weliswaar komen er in het Jiddisch ziekteverwensingen voor – zie bijvoorbeeld 'krijg de krenk', 'krijg het makke', 'krijg een darmscheuring' en 'krijg de wijtik' –, maar dat zegt niet zoveel. De eerste Nederlandse ziekteverwensingen dateren al uit de zeventiende eeuw; de Jiddische verwensingen in ons taalgebied zijn pas veel later opgetekend." In de naam van God De auteurs herinneren ons eraan dat verwensingen oorspronkelijk echt gemeend waren. Een vloek was een enge, gevaarlijke onheilswens, waartegen men zich probeerde te beschermen met een tegenvloek of tegenspreuk, door een kruisteken te maken of een heilige aan te roepen. Piet van Sterkenburg, emeritus hoogleraar Nederlandse Lexicologie te Leiden, licht dit in een interview met het Taalschrift toe: "De vloek was oorspronkelijk een toverwoord, een magische formule. Het was een machtsmiddel van mensen die magische krachten zouden bezitten, zoals priesters, tovenaars en magiërs. Zij konden zo bijvoorbeeld in de Romeinse tijd de vijand naar de goden van de onderwereld vervloeken. Binnen onze cultuur ligt de oorsprong bij het 'zweren' en het gerechtshof. Een beschuldigde of getuige kon de garantie van God inroepen door in Gods naam of bij God zelf te zweren. De beklaagde vroeg God garant te staan voor zijn zuivere motieven. Hij stelde zich zelfs bloot aan de goddelijke woede in geval van een meineed, zoals geformuleerd in de moeder van alle vloeken: "God, verdoeme mij als ik de waarheid niet spreek." De link naar ziektes is zo al snel gemaakt: "O wee als je iets doet of hebt gedaan waar ik het niet mee eens ben; God zal je straffen met allerlei dodelijke - of in ieder geval pijnlijke - aandoeningen!" Kanker Tegenwoordig is de letterlijke, religieuze betekenis van ziekteverwensingen verdwenen – niemand denkt meer dat zijn doodvonnis is getekend als er wordt geroepen dat hij de piktyfus kan krijgen of op moet kankeren. Maar dat betekent niet dat dergelijke vloeken geen heftige emoties meer oproepen of niet langer als kwetsend worden ervaren. Neem het woord 'kanker', dat veelvuldig wordt gebruikt in samengestelde vloekwoorden. Het gaat terug op het Latijnse cancer, dat 'kreeft, krab' betekent. De vorm van het gezwel, met zijn vele uitlopers, deed denken aan de kreeft, die nu nog dienst doet als internationaal symbool van kankerbestrijding. Ouderwetse ziektes Minder gevoelig liggen verwensingen met ziektes die, in ieder geval in Nederland, tot de verleden tijd behoren of eenvoudig behandeld kunnen worden. Als 'iemand de pest kan krijgen', heeft dat niet meer dezelfde impact als in de middeleeuwen. Toen overleden miljoenen mensen aan de infectieziekte, waarvoor de Zwitserse geneeskundige en alchemist Paracelsus (1493-1541) de Latijnse naam pestis (besmettelijke ziekte, epidemie) bedacht. Ook de verwensing 'krijg de tering!' heeft in kracht ingeboet. Tering is de volksnaam voor tuberculose, een ziekte die al van duizenden jaren vóór onze jaartelling dateert. Eigenlijk is de naam 'tering' alleen op de laatste stadia van de ziekte van toepassing, als de tuberculose de patiënt uitteert en zijn gestel sloopt. Tegenwoordig kun je ook prima optiefen - tyfus is een uiterst besmettelijke, maar prima behandelbare infectieziekte - of oppleuren - pleuris of pleuritis is een borstvliesontsteking en afgeleid van het Latijnse pleura; borstvlies.

Kolere Ironisch genoeg is een van onze populairste verwensingen, 'krijg de k(o)lere!', nog wel een grote kwaal in Nederland. Het woord is niet, zoals veel Nederlanders denken, een verbastering van de infectieziekte cholera, maar van het Franse woord colère (woede). Onze zuiderburen zeggen dan ook dat ze in een 'Franse koleire schieten' (woedend worden) en er 'de koleire van krijgen' (er woedend, chagrijnig van worden). Als we dat in Nederland nou eens wat minder deden, dan zouden we misschien ook minder behoefte hebben om elkaar de huid vol te schelden en allerlei ziektes toe te wensen. Vrolijk kerstfeest iedereen!

Vind je dit maar een pokkecolumn, ben je je de kolere geschrokken of heb je er schijt aan? Laat je zieke opmerkingen hieronder achter!

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]‘Muisstil’, ‘kiplekker’, ‘beregezellig’, ‘apetrots’. Waarom hangen zo veel bijvoeglijke naamwoorden in de Nederlandse taal toch de beest uit?[/intro]   Door Mark Mackintosh   Afgelopen weekend vroeg ik aan het zesjarige dochtertje van een vriendin wat ze van Sinterklaasavond vond. "Beregezellig!", luidde het antwoord. "En hoe voel je je nu je weet dat de Sint je een superslim meisje vindt?" "Apetrots!" Ik moest lachen en bedacht me dat het een bijzondere eigenschap van de Nederlandse taal is om dieren met een bijvoeglijk naamwoord te combineren om iets te beschrijven. In het Engels kun je niet zeggen dat je monkey proud op iemand bent en in het Duits heb je geen Bär-gemütlicher Abend. Woorden als ‘apetrots’, ‘muisstil’, ‘kiplekker’ en ‘hondsmoe’ worden ook wel samengestelde bijvoeglijke naamwoorden genoemd. De taalkundige Nicoline van der Sijs legt in Chronologisch woordenboek: De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen uit dat ze in principe zijn ontstaan als vergelijkingen.  Net zoals ‘bloedrood’ in eerste instantie ‘zo rood als bloed’ betekende, betekende ‘muisstil’, jawel, ‘zo stil als een muis’. Ben je poeslief, dan ben je ‘zo lief als een poes’. En als je je kiplekker voelt, ben je zo lekker als een kip. Veel van deze samengestelde bijvoeglijke naamwoorden zijn niets nieuws. ‘Muisstil’ en ‘hondsmoe’ zijn al sinds de middeleeuwen in omloop en ‘kiplekker’ dateert volgens Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden van F.A. Stoett (1923-1925) uit de zeventiende eeuw. ‘Snipverkouden’, waarschijnlijk een verwijzing naar de met modder besmeurde snavel van de vogel tijdens het foerageren, is volgens hetzelfde boek al zeker sinds de negentiende eeuw in gebruik, net als ‘poedelnaakt’. Maar hoe zit het met ‘beregezellig’ of ‘apestoned’? Beren zijn bij uitstek solitaire dieren en een aap die een jointje rolt moet ík nog tegenkomen. Van der Sijs legt uit dat het eerste deel van veel samengestelde bijvoeglijke naamwoorden mettertijd de functie en betekenis van een versterkend voorvoegsel kreeg. De letterlijke betekenis van het eerste deel verdween en werd vervangen door ‘zeer’: bloedmooi is ‘zeer mooi’, niet ‘zo mooi als bloed’. Veel versterkende bijvoeglijke naamwoorden beginnen dus als samenstelling en eindigen als afleiding. Soms is er echter sprake van een omgekeerde volgorde. Een verrassend voorbeeld is het gebruik van ‘bere-’. De meeste mensen nemen aan dat ‘bere-’ in eerste instantie letterlijk werd gebruikt in de samenstelling ‘beresterk’: ‘zo sterk als een beer’. Maar, zo merkt van der Sijs op, het woord ‘beresterk’ werd pas gesignaleerd in 1971, terwijl ‘beredruk’ reeds in 1965 en ‘beregoed’ reeds in 1966 in omloop was. Taalkundigen veronderstelden per abuis dat woorden als ‘beregezellig’ en ‘beredruk’ wel zouden zijn ontstaan uit het letterlijke gebruik, zoals zo vaak bij versterkende bijvoeglijke naamwoorden. Niet dus. Nederlandse taalgebruikers zijn gewoon een creatief volkje! Waarschijnlijk is iets soortgelijks gebeurd met ‘ape-’ in de samenstellingen ‘apetrots’ en ‘apestoned’. Hier heeft ‘ape-’ nooit een letterlijke betekenis gehad, maar altijd als versterkend voorvoegsel gediend. Als voorbeeld diende ‘apezat’, dat reeds in de achttiende eeuw gemeengoed was. Ook die samenstelling heeft trouwens nooit een letterlijke betekenis gehad. Er wordt geen vergelijking gemaakt met apen die graag naar de fles grijpen, maar met dronken mensen, die zich als aap gedragen. Ik ben benieuwd welke andere beestachtige versterkende bijvoeglijke naamwoorden in het verschiet liggen. Sprekers van de Nederlandse taal zullen in de toekomst ongetwijfeld net zo bedreven zijn in het verzinnen van mooie samenstellingen. Dat is de aard van het beestje.

We zijn altijd op zoek naar leuke verhalen over de herkomst van een woord of uitdrukking. Vind je dat je goed kunt schrijven en wil je jouw woordweetje terugzien op onze site? Stuur hier je woordweetje in. Gepubliceerde verhalen worden beloond met een leuk Taalvoutjes-pakket!

Wil je de herkomst weten van een bepaald woord? We zoeken het graag voor je uit! Laat het ons weten in een reactie hieronder.

Beeld Beresterk, Kiplekker en Apetrots: Kaartje2Go Beeld Poeslief en Beregezellig: Ruby Wu Beeld Hondsmoe: Piet Schreuders

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Een beetje taalliefhebber weet dat de woorden ‘Mokum’, ‘schlemiel’ en ‘mazzel’ ontleend zijn aan het Jiddisch, dat op zijn beurt in veel gevallen teruggaat op het Hebreeuws. Maar er schuilen in de Nederlandse taal meer prachtwoorden met Joodse roots. Om dat duidelijk te maken, ben ik zo vrij geweest een koosjere versie van het geliefde sprookje 'Roodkapje' te schrijven, met de etymologie van woorden van Jiddische en/of Hebreeuwse afkomst tussen haakjes. Toi-toi-toi met het ontcijferen![/intro]   Door Mark Mackintosh   Er was eens een meisje dat met haar misjpoge (< misjpacha; familie) in een achenebbisj (< och un nebbisj; uitroep van medelijden) huisje aan de rand van Mokum (< makom; plaats) woonde. Het meisje droeg altijd een rood doekje om haar hoofd. Daarom noemden de mensen haar ‘Roodkapje’. Ze had een grootmoeder die aan de andere kant van Mokum woonde. Op een dag was die grootmoeder niet helemaal lekker. "Wil jij deze mand met koosjer (< kasjeer; rein, geschikt) eten naar je mesjogge (< mesjogge; gek, krankzinnig) oma brengen?" vroeg de moeder van Roodkapje. "Dan wordt ze vast snel beter." "Tof (< tov; goed)!", zei Roodkapje en ze ging op weg. "O, en ga niet van het pad af, Roodkapje!" riep moeder haar na. "Dan kun je niet verdwalen en kom je niet in contact met gajes (< goj; niet-Jood)." Roodkapje deed wat haar moeder had gezegd. Ze wist dondersgoed dat ze bij haar niet met smoezen (< schmues; gerucht) aan kon komen. Huppelend en zingend volgde ze het pad. Onderweg kwam ze de jager tegen. Iedereen in Mokum vond hem eigenlijk een beetje een schlemiel (< shlemil; kneusje). Roodkapjes moeder had eens verteld dat hij een tijdje in de bajes (< bajit; huis) had gezeten. Smerissen (< shomer; iemand die de wacht houdt bij een overledene) hadden hem op heterdaad betrapt toen hij probeerde de extensions van Raponsje te jatten (< jad, jadájiem; hand, handen). "Waar ga je naartoe, Roodkapje?" vroeg hij. "Gozer (< chosen; bruidegom)!", zei Roodkapje. "Je laat me schrikken! Ik ga naar grootmoeder. Ze is niet helemaal lekker." "Dat is aardig", zei de jager. "Blijf wel op het pad, meisje, anders verdwaal je nog. En pas op voor geteisem (< chatteisem; gepeupel), vooral voor de grote boze wolf. Oké, de mazzel (< mazal; goed gesternte, geluk)!" Maar Roodkapje was helemaal niet bang voor de wolf en ze huppelde vrolijk verder. "Ik ben niet bang voor de boze wolf, ’k ben niet bang, ’k ben niet bang! Ik ben niet bang voor de boze wolf, ’k ben niet bang!" Plotseling sprong er vanuit het niets een groot, harig dier voor haar voeten. De wolf! Hij was toch wel een beetje eng! Zou hij haar bezoek aan oma versjteren (< versjteren; iemands plezier of vreugde bederven)? "Waar ga je naartoe, meisje?" vroeg de wolf met zijn liefste stem. "Luister, wolf," zei Roodkapje, "ik ben niet een van je gabbers (< chaveer; vriend, kameraad) en ik heb geen zin in heibel (< hewl; koude drukte). Ik ga gewoon naar mijn grootmoeder. Ze is niet helemaal lekker." "Wat aardig!", zei de wolf. "En waar woont jouw oma dan wel?" Roodkapje zuchtte. Ze zei dat ze alleen maar het pad hoefde te volgen en er dan vanzelf zou komen, thank you very much. De wolf kreeg een idee dat niet bepaald koosjer was. "Weet je dat er verderop prachtige bloemen staan?", zei de goochemerd (< chacham; wijze). "Daar zou je oma vast blij mee zijn." "Nogmaals, ik mag niet van het pad", zei Roodkapje, op een ietwat passief-agressieve toon. Schorem (< sjkorem; leugens), dacht ze, sodemieter toch op. "Haha, dat is heel goed van je," zei de wolf, "maar denk er eens aan hoe blij je oma zou zijn." "Hmm, dat is waar", zei Roodkapje. Ze dacht dat een paar bloempjes geen kwaad konden. Stiekem (< sjetieka; zwijgen, stilte) ging ze het pad af op zoek naar de bloemen. Ondertussen rende de wolf snel naar grootmoeders huisje en trok aan de bel. "Wie is daar?", vroeg grootmoeder. "Ik ben het, Roodkapje!",  jokte de wolf met een hoog stemmetje. "Ik kom wat lekkers brengen!" De wolf stormde de kamer in. Met één sprong was hij bij oma en met één hap was oma pleite (< pleta; vlucht). Toen zette de wolf een slaapmuts op en deed, net als oma, een nachtjapon aan. In zijn nieuwe kloffie (< kelife; schaal, omhulsel) ging hij in bed liggen. Wat een gotspe (< chotspe; brutaliteit)! Roodkapje was nog altijd diep in het bos. De bolleboos (< ba'al ha'bajit; heer des huizes) had toch veel bloemen geplukt en had er geen sjoege (< sjoewe; antwoord) van dat het al bijna donker was. Snel zocht ze het pad terug en holde naar grootmoeders huisje. "Wie is daar?", klonk het. Wat een rare stem! Oma was vast heel ziek. "Ik ben het, Roodkapje." "Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open", piepte de wolf. Roodkapje stapte binnen. Ze vond dat haar oma er maar raar uitzag. Zo afgepeigerd (< peiger; lijk, kadaver). Zou ze hoteldebotel (< awar oewoteel; heengegaan en verdwenen van de wereld) van iemand zijn en liefdesverdriet hebben? "Kom toch verder, lief kind." Haar stem klonk echt héél ziek. "Oma, uw ponem (< paniem; gezicht)! Wat heeft u toch grote oren!" "Dan kan ik je beter horen, mijn kind." "En oma, wat heeft u toch grote ogen!" "Dan kan ik je beter zien, mijn kind." "Maar oma, wat heeft u toch grote handen!" "Dan kan ik je beter pakken, mijn kind." "Maar oma, wat heeft u toch verschrikkelijk grote tanden!" "Ja, dan kan ik je beter… opeten!" De wolf sprong op en voordat Roodkapje het besefte, had hij haar in één hap opgegeten. "Daar ga je (< lechajiem; op het leven)!" De wolf ging weer in bed liggen en viel in een diepe slaap. Het lef (< lev; hart) van het beest! De jager, die in de buurt was, hoorde zijn gesnurk. Hij keek door het raam naar binnen en zag meteen dat het geen zieke oma was die daar in bed lag. Het was die sjofele (< safal; laag, gering) wolf met een hele dikke, ronde buik. De jager sloop het huisje binnen en sneed voorzichtig de buik van de slapende wolf open. Daar kwam Roodkapje tevoorschijn. En daar was ook grootmoeder. "Oef! Ik ga écht nooit meer van het pad af", zei Roodkapje. "Meisjes als ik moeten niet zulke kapsones (< gawsones; hoogmoed) hebben!" De jager fluisterde: "Zullen we eens een geintje (< chein; plezier) uithalen met die gemene wolf? Roodkapje, haal buiten wat grote stenen." Het meisje gapte (< chappen; stelen) een paar zware stenen uit de tuin van de buurman en droeg die naar de jager. Snel stopte hij ze in de buik van de wolf. Grootmoeder naaide de buik weer netjes dicht. Daarna verstopten ze zich en wachtten af. Toen de wolf wakker werd, voelde hij zich niet zo lekker. Hij strompelde het huisje uit, het bos in. Hij mompelde: "O, wat voel ik me beroerd. Ik heb iets doms gedaan. Ik was hartstikke mesjogge om mensen op te eten en zal het nooit meer doen. Voortaan schop ik geen stennis (< sjtannes; argwaan) meer, daar kun je van op aan." En inderdaad, van de wolf hebben Roodkapje en haar oma nooit meer iets gezien of gehoord. En ze leefden nog lang en gelukkig, in een wereld zonder enige sores (< tsores, verdriet). Ken jij nog meer jofele (< jofe; mooi, aangenaam, nuttig) woorden van Jiddische/Hebreeuwse origine? Deel ze hieronder! Op- of aanmerkingen over de koosjere versie van Roodkapje zijn eveneens welkom, but please be Yentl with me!
Taalvoutje

Woordweetje: pet

Woordweetje: pet

923 shares

Ik snap 'm niet

Oké, laat ik maar meteen uit de kast komen. Ik heb een pettenfetisjisme. Katoenen petten en corduroy petten, gitzwarte petten en knalgele petten, ik draag ze allemaal. Al sinds ik een klein Markje was in de toch al zo modieuze jaren tachtig (schoudervulling of beenwarmers, anyone?).   Door Mark Mackintosh     Het doet me dan ook pijn dat het Nederlands geen hoge pet op heeft van mijn meest geliefde kledingaccessoire. Denk aan een gezegde of uitdrukking waar de pet in voorkomt en grote kans dat het om iets negatiefs gaat. Petten en onze vaderlandse taal? Die relatie is pet. Ja, het is zelfs huilen met de pet op. Want als je iets onder de pet houdt, houd je het geheim. En als je ergens met de pet naar gooit, lever je slordig werk af of doe je er geen moeite voor. Waarom heeft een ogenschijnlijk onschuldig kledingstuk zo’n negatieve lading? Helaas kunnen zelfs etymologen er met hun pet niet bij. De herkomst van het woord ‘pet’ is onbekend. Het zou een variant van ‘put’ kunnen zijn, zeggen sommigen, omdat het hoofddeksel op een putdeksel zou lijken. Maar, zo verklaart het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, dat is ‘onwaarschijnlijk’. Andere experts menen dat het om een verkorting gaat van het Franse woord toupet, dat eerst als ‘kuif’ en vervolgens als ‘hoofdtooi’ en ‘pruikje’ in het Nederlands werd overgenomen. Vaststaat dat de eerste petten – gedefinieerd als een soort ronde mutsen met een klep aan de voorkant – in de veertiende eeuw in Engeland en Italië werden gesignaleerd. Het hoofddeksel nam pas echt een grote vlucht toen in 1571 het Engelse parlement alle jongens boven de zes verplicht stelde om op zon- en feestdagen een pet te dragen om zodoende de binnenlandse wolproductie te stimuleren. De adel werd van deze plicht vrijgesteld. De wet werd in 1597 ingetrokken, maar tegen die tijd werd de pet al lang en breed geassocieerd met iedereen van niet-adellijke komaf. Hoge hoeden, top hats, waren voorbehouden aan de hogere klassen. In de eeuwen daarna bleef de pet het hoofddeksel van de gewone man: de boer, de schooljongen, de fabrieksarbeider. Jan met de pet. Ook in Nederland. Zo bezien zijn veel uitdrukkingen waarin de pet voorkomt ook uitdrukkingen van een cultuur die neerkijkt op de lagere klassen. ‘Pet’ in de betekenis van ‘waardeloos’, voor het eerst opgenomen in het woordenboek van Koenen in 1952, is een duidelijk voorbeeld. Maar ook uitdrukkingen als ‘dat gaat mijn pet te boven’ en ‘met zijn pet er niet bij kunnen’, reeds opgenomen in Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden van F.A. Stoett in 1923, krijgen zo een wrang, neerbuigend smaakje. Of valt van die bewering je pet af? Kom met concrete argumenten of voorbeelden om het tegendeel te bewijzen. Dan neem ik mijn petje voor je af.

We zijn altijd op zoek naar leuke verhalen over de herkomst van een woord of uitdrukking. Vind je dat je goed kunt schrijven en wil je jouw woordweetje terugzien op onze site? Stuur hier je woordweetje in. Gepubliceerde verhalen worden beloond met een leuk Taalvoutjes-pakket!

Wil je de herkomst weten van een bepaald woord? We zoeken het graag voor je uit! Laat het ons weten in een reactie hieronder. 


923 shares

Ik snap 'm niet

Toen ik nog een Tiesje was, deed ik eens uit verveling een spelletje met een vriend. We hadden allebei een stukje kauwgom en we beloofden elkaar dat we dat ergens op elkaars gezicht mochten plakken. Ik plakte het op zijn neus en lachte. Hij plakte het in mijn haar en lachte harder. Gelukkig had de kapster een oplossing: smeer een beetje pindakaas in je haar en de kauwgom komt zó los.   Door Ties Rohof     Nu schijnt het dat anderen dat spul ook op hun brood smeren. Dat doen we hier in Nederland al vrij lang. Lijkt mij ook een logischer plek. Pindakaas is zo normaal, dat we van de naam niet meer opkijken. Toch is het gek. Het lijkt toch helemaal niet op kaas? U begrijpt, ik ben op onderzoek uitgegaan. De benaming van pindakaas heeft alles te maken met de Nederlandse Boterwet uit 1889. Want men kan wel zeuren over de Europese Unie met haar betuttelende regeltjes, maar wij konden er zelf ook wat van. Eind negentiende eeuw voerde de Nederlandse regering een wet in die specifieke eisen stelde aan boter. Kort gezegd moest het aan bepaalde voorwaarden voldoen om boter te mogen heten. Er waren rond 1880 namelijk producenten op de markt gekomen die in plaats van melk rundvet gebruikten als boterbasis en daar nogal eens vreemde ingrediënten aan toevoegden. Dat vonden de zuivelproducenten niet zo leuk.  Zij verklaarden daarom in de media dat nepboter schadelijk was voor de gezondheid. Ook internationaal ontstond er veel discussie en besloten buurlanden de nepboter aan banden te leggen. In navolging daarvan voerde Nederland in 1889 de Boterwet in, die strenge eisen aan het zuivelproduct stelde. Dat betekende de geboorte van de margarine, de omvattende naam voor alle producten die nét geen boter waren. En raad eens wat er bijna een kwart eeuw later zijn intrede deed uit het verre Suriname? Juist: 'pienda-kaas'. In 1912 werden bij een landbouwtentoonstelling in het bruisende Deventer ook Surinaamse producten gepresenteerd, waaronder het bruine smeersel. Het mocht geen pindaboter genoemd worden, omdat dat nou eenmaal inging tegen de Boterwet. Dus kwamen ze met een creatief alternatief. Helaas, pindakaas. We zijn altijd op zoek naar leuke verhalen over de herkomst van een woord of uitdrukking. Vind je dat je goed kunt schrijven en wil je jouw woordweetje terugzien op onze site? Stuur hier je woordweetje in. Gepubliceerde verhalen worden beloond met een leuk Taalvoutjes-pakket! Wil je de herkomst weten van een bepaald woord? We zoeken het graag voor je uit! Laat het ons weten in een reactie hieronder. 

923 shares

Ik snap 'm niet

Toen de meiden van Taalvoutjes me vroegen of ik iets wilde vertellen over de herkomst van het woord ‘aarzelen’, heb ik toch wel even getwijfeld. Waarom? De oorsprong is nogal banaal, kinderachtig. Toch moet ik toegeven dat ik stiekem grinnikte toen ik leerde over de afkomst. Dus nou, vooruit dan. Dit is de etymologie van 'aarzelen'.     Door Ties Rohof     Dat woord dat je tegenwoordig te pas en onpas gebruikt om je onzekerheid mee uit te drukken, heeft een nogal vreemde historie. Aarzelen betekende tot de zeventiende eeuw zoiets als achteruitgaan. Tot zover niks schunnigs. Het smeuïgste aan dit verhaal is dat het woord samenhangt met… de bips, de derrière, het nobele zitvlak, ofwel de aars, aldus Etymologiebank.nl. Deze meldt:
  • Mnl. eersen aarzelen ww. ‘weifelen’: ‘achteruitgaan’(...)'afgeleid van mnl. ers, aers ‘aars’, zie → aars.'
Ik heb gepoogd die laatste raad op te volgen, maar toen kreeg ik last van mijn nek. Wel heeft de pagina mij geleerd dat werkwoorden die eindigen op -elen of -eren vaak betrekking hebben op een actie die je herhaaldelijk of consequent doet. Aarzelen betekende dus oorspronkelijk dat je steeds maar weer achteruitging met je kont. Visualiseer die beweging even. Gelukt? Dan roept het misschien wel het beeld op van iemand die twijfelt of hij nu wel of niet weg zal gaan, terwijl zijn aars ondertussen al half buiten de deur bungelt. Zo zie je maar dat iets banaals na loop van tijd gewoon geaccepteerd is geraakt in de Nederlandse taal. Ik vraag me af wanneer swaffelen nou eens mainstream wordt…   We zijn altijd op zoek naar leuke verhalen over de herkomst van een woord of uitdrukking. Vind je dat je goed kunt schrijven en wil je jouw woordweetje terugzien op onze site? Stuur hier je woordweetje in. Gepubliceerde verhalen worden beloond met een leuk Taalvoutjes-pakket!

923 shares

Ik snap 'm niet

Iedereen heeft wel een rare hobby of fascinatie die anderen een beetje vreemd vinden. De een spaart afgeknipte teennagels, de ander haalt enorm veel genoegdoening uit het verkleden van zijn hond. Mijn interesse vereist noch een nagelschaar, noch een mopshond. Hij is namelijk behoorlijk oubollig en kan zo in het rijtje van postzegels verzamelen en sneu de boules. Ik houd van kaarten. En daarmee bedoel ik niet boerenbridge of rikken. Nee, ik bedoel dat ik van landkaarten houd, met van die grenzen en landnamen er op.     Door Ties Rohof     De laatste jaren doken er op internet steeds meer kaarten op met als titel 'Europa zoals de Duitsers het zien' of 'Europa door de ogen van een Griek'. Daar moest ik dan om lachen. Hardop. Achter mijn laptopje. Maar dat is een rage die alweer bijna voorbij is. Onlangs kwam ik iets nieuws tegen wat erop lijkt: Europese landen volgens de Chinezen. Wij westerlingen gebruiken gelijksoortige namen voor Europese landen. Zo noemen wij de zuiderbuur van België 'Frankrijk', zeggen de Italianen 'Francia' en gebruiken de Fransen zelf de term 'France'. Maar niet in China! Daar in het Verre Oosten krijgen Europese landen heel andere benamingen, zo zag ik laatst op een - je raadt het al - landkaart. Hierboven zie je de kaart van Europa met daarop de letterlijke vertalingen van benamingen die de Chinezen voor ons en onze buren gebruiken. Frankrijk is in hun ogen 'het land van recht'. Onze zuiderburen wonen in Billytime en de Duitsers hebben blijkbaar normen en waarden hoog in het vaandel. Volgens kritische internetbronnen moet je deze vertalingen met een korreltje zout nemen. Het zijn weliswaar letterlijke vertalingen van Chinese woorden naar het Engels, maar er wordt daarbij alleen gekeken naar hoe ze uitgesproken worden. Turkije - of 土耳其 - wordt bijvoorbeeld uitgesproken als "Tǔ ěr qí", wat zoveel als aarde en oor betekent. De oorsprong van het woord heeft waarschijnlijk niets met deze twee zaken te maken. Het is aannemelijker dat een Chinese handelaar in het verleden eens de benaming 'Turkey' hoorde, wat dan leek op de klanken die de beste man kende als oor en aarde. De oorsprong van landnamen als ’Meaning Big Profit’ voor Italië of ‘Braveland’ voor Groot-Brittannië is wel te herleiden. De Italianen onderhielden in de middeleeuwen nauwe handelscontacten met de Chinezen en de ‘dappere’ Engelsen hebben het veelvuldig aan de stok gehad met het Aziatische volk. Waar een deel van de Chinese benamingen vandaan komt, blijft misschien voor eeuwig een vraag. Het maakt mij eigenlijk ook niet zo heel veel uit, zolang ik maar in Lotus Orchid mag wonen.   We zijn altijd op zoek naar leuke verhalen over de herkomst van een woord of uitdrukking. Vind je dat je goed kunt schrijven en wil je jouw woordweetje terugzien op onze site? Stuur hier je woordweetje in. Gepubliceerde verhalen worden beloond met een leuk Taalvoutjes-pakket!

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Weet je wat ik een fantastisch fenomeen vind? Een 'mondegreen': een voorgelezen stuk tekst dat verkeerd verstaan wordt en waar door de  hersenen een passend alternatief voor wordt bedacht. Denk bijvoorbeeld aan de Mama Appelsap-rage, vernoemd naar de tekst in Wanne be startin’ something van Michael Jackson waarin ‘Mama-se mama-sa ma-ma-coo-sa’ wordt gezongen, door sommigen verstaan als Mama Appelsap. In korte tijd doken er verschillende buitenlandse liedjes op waar je Nederlandse of Engelse alternatieve woorden in kon verstaan.[/intro] Door Ties Rohof De internethit Benny Lava heeft op die manier zijn cultstatus verkregen. Soms slaan de ondertitelaars de plank helemaal mis, maar dat maakt niet echt uit, want het filmpje is al hilarisch genoeg. Mijn favoriete mondegreenlied is Moskau, net als Benny Lava ondertiteld door Buffalax. Hierin zingen vijf uitermate opgetogen Duitsers een onsamenhangende tekst over porselein en kaviaar. Dit alles op een jaren 80-discobeat, terwijl een opgemaakte tsaar op de voor- én achtergrond epische dansjes doet. Het internet kan zo mooi zijn. Datzelfde internet leert me dat het woord 'mondegreen' zelf ook een mondegreen is. Het dankt zijn naam aan het Schotse gedicht The Bonny Earl O'Moray. De eerste strofe van dit gedicht eindigt met: They have slain the Earl of Moray / and they laid him on the green. De Amerikaanse schrijfster Sylvia Wright verstond als kind They have slain the Earl of Moray / and the Lady Mondegreen. Zij was dan ook degene die in 1954 het verschijnsel van verkeerde interpretaties de naam 'mondegreen' meegaf. Dat is maar goed ook, want in Nederland hebben we eigenlijk geen synoniem hiervoor. Een woord als ‘verhoring’ zou kloppen, maar is nog lang niet ingeburgerd. Woord of geen woord, belachelijke filmpjes zijn er genoeg. Op dit moment kan ik al heel veel nummers niet meer horen zonder dat ik aan de Mama-Appelsapversie denk. Dat is allemaal geen probleem, zolang ik ze maar niet hardop meezing. http://www.youtube.com/watch?v=XWco7oZ9XYQ Heb jij nog voorbeelden van mondegreens? Hoor jij bijvoorbeeld altijd iets anders dan bedoeld is in een liedje? Laat het ons hieronder weten! Nog meer Mama-Appelsapjes vind je op 3FM.

923 shares

Ik snap 'm niet

Bij mij om de hoek, hier in Nijmegen, zit een friettent die lokaal befaamd is. Hoewel er ‘Corry’ op zijn gevel prijkt, noemt de hele stad de zaak Feli, naar de Turkse eigenaar die mij ooit lachend vertelde dat een oud-Hollandse naam nu eenmaal meer klanten trekt.   Door Ties Rohof     Bij de zelfbekroonde ´frituroloog´ kun je, naast patatjes heilige oorlog en Jos Brinkies, sinds kort ook pizza’s bestellen.  De goedkoopste en daarom populairste soort onder de voornamelijk Nederlandse klanten is de pizza Margherita. En net als bij de friettent kwam die naam niet zomaar uit de lucht vallen. Aanvankelijk was de pizza voedsel voor de arme Italiaanse bevolking. Het was niet meer dan een deeglaag met tomatensaus en - als je geluk had - wat kaas. Daar kwam in 1889 verandering in.  De Italiaanse Koning Umberto de Eerste en zijn vrouw, prinses Margaretha, kwamen op visite bij de Napolitaanse chef-kok Rafaelle Esposito. Speciaal voor de gelegenheid bedacht hij een pizza die bestond uit de kleuren van de Italiaanse vlag. Hij presenteerde het koninklijk echtpaar een deegschijf met groene basilicum, rode tomatensaus en witte mozzarella. Umberto en Margaretha waren helemaal ondersteboven van het gerecht. Prinses Margaretha schreef daarom een dankbrief aan Espito, die zich zo vereerd voelde, dat hij zijn nieuwe creatie naar de prinses vernoemde. De pizza Margherita was een feit. De pizza klom in één klap op van zwervershap tot koninginnenkost. Mocht je dus de volgende keer niet weten welke pizza je moet bestellen, kies dan voor de Margherita. Dan eet je als een vorst.

923 shares

Ik snap 'm niet

Eigenlijk hebben Nederlanders het niet getroffen, taaltechnisch gezien dan. Internationaal is apartheid het meest gebruikte Nederlandse woord, dan weet je het eigenlijk al. En going Dutch betekent in het Engels dat je alleen voor jezelf betaalt. Ons imago kan beter. We zijn met z’n allen gewoon racistische knieperds; zuinig met ons geld, vrijgevig met onze vooroordelen.   Door Ties Rohof     Nu weet ík natuurlijk dat dat niet waar is. De Nederlanders hebben deze wereld ook mooie zaken gebracht. Neem de stichting van Nieuw Amsterdam in 1625. Dit gebied zou bijna veertig jaar later in handen komen van de Engelsen die het de weinig originele naam New York gaven. Maar nog steeds zijn daar sporen van de Nederlandse aanwezigheid te vinden. Denk bijvoorbeeld aan Harlem (Haarlem), Brooklyn (Breukelen), Coney Island (konijneneiland) en Staten Island (verwijzing naar de Nederlandse Staten Generaal). Ook Wall Street dankt zijn naam aan ons kaaskoppen. Nee, hij is niet vernoemd naar de Wallen, maar heeft zijn naam waarschijnlijk te danken aan de verdediging van de stad. Om indianen, Fransen en Engelsen buiten te houden, bouwden de Nederlanders een muur, een wal die het beschermen van de stad vergemakkelijkte. Zo’n ding valt natuurlijk op. De naastgelegen straat werd de Walstraat gedoopt. Nadat de Engelsen de touwtjes in handen hadden gekregen, bleef de naam vrijwel hetzelfde. Wall Street was geboren. Maar stiekem hebben de Hollanders zelfs buiten de Big Apple invloed gehad. Zo kan het woord Yankees, zoals de (noordelijke) Amerikanen ook wel spottend worden genoemd, teruggeleid worden naar het Nederlands. Britse kolonisten merkten op dat de namen Jan en Kees wel erg veel voorkwamen in de Nederlandse kolonie. Ze gaven hen daarom de bijnaam ‘Jankees’, wat later verbasterde tot Yankees. Hoewel de Nederlanders intussen al weer lang vertrokken zijn, is de term Yankee een fenomeen geworden. Heb jij een woordweetje waar Ties over zou moeten schrijven? Of ben je benieuwd naar de herkomst van een specifiek woord? Laat het ons weten via een reactie hieronder!

923 shares

Ik snap 'm niet

De datum is 13 april 1888. In een lokale Parijse krant leest Alfred Nobel dat 'ie dood is. Hij controleert zijn hartslag en kijkt in de spiegel. Volgens de medische standaarden is hij nog gewoon onder de levenden. Maar waarom staart hij dan nu naar zijn eigen necrologie?   Door Ties Rohof       Dat komt doordat mensen weleens een foutje maken. Of, zoals in dit geval, een blunder. Alfred had namelijk correct vastgesteld dat hij nog leefde. Journalisten hadden hem alleen verward met zijn onlangs overleden broer Ludvig. De Zweedse Alfred Nobel was bekend en rijk geworden door een uitvinding die oorlogsvoering drastisch zou veranderen: dynamiet. En wat ze in de krant over hem schreven na zijn ‘dood’, was niet al te mals. Hij moet met tranen in zijn ogen hebben gelezen dat hij werd gekroond tot ‘handelaar van de dood’. Alfred had geprofiteerd van alle oorlogsslachtoffers die dankzij zijn uitvinding het loodje hadden gelegd. Al met al was hij daarom een slecht en zelfzuchtig mens, aldus de media. Zo wil natuurlijk niemand herinnerd worden. Alfred legde de krant neer en realiseerde zich dat het nog niet te laat was om zijn naam te zuiveren. De naam Nobel zou voor vooruitgang moeten staan. Hij bedacht daarom de prijs die symbool staat voor zaken die de wereld beter maken: de Nobelprijs. Deze beloning wordt jaarlijks uitgereikt aan toonaangevende wetenschappers op het gebied van natuurkunde, scheikunde, geneeskunde, letterkunde en de vrede. In zijn testament stelde hij vast dat zijn omvangrijke erfenis moest worden gebruikt om deze prijzen te financieren. Zo werd 'ie tenminste ook niet als een gierigaard herinnerd. Een nobel streven.

923 shares

Ik snap 'm niet

Weet je wat ik nooit heb begrepen? Waarom er ice tea bestaat met de naam 'Nestea'. Spreek dat woord eens hardop uit. Nasty. Je koopt dus een product dat zichzelf al ranzig noemt. “Hey, doe mij een nasty.” Nu weet ik wel dat het een samentrekking van het merk ‘Nestlé’ en het product ‘tea’ is, maar toch… Je gaat je afvragen of andere merken wel over hun naam hebben nagedacht.   Door Ties Rohof       Wat voor naam is 'Haribo' bijvoorbeeld? Na het bekijken van wat Duitse websites, moet ik concluderen dat er wel degelijk goed over nagedacht is. Door Hans Riegel uit Bonn om precies te zijn. Hans Riegel uit Bonn. Zie je ‘em? Maar ook Hollanders kunnen er wat van. Wat dacht je van 'Conimex'? Als ik die naam hoor, denk ik aan een Oegandese rebellenleider die een drankspelletje doet. De realiteit is minder willekeurig: 'conserven import en export'. Dan heb je nog 'FEBO', het bedrijf dat volgens onze Barney "a piece of Dutch history" is. De snackbarketen is vernoemd naar de Ferdinand Bolstraat in Amsterdam, waar de oprichter aanvankelijk een bakkerszaak wilde openen. Duo Penotti was een openbaring voor me. Ik vroeg me altijd af in welk Italiaans dorp de chocopasta werd gemaakt. Blijkt dat Penotti voor Peeters Noten Industrie staat, een onderneming uit Roosendaal. Die tweede t? Geen idee. Hetzelfde geldt voor SPAR, een bedrijf waarvan ik toch echt zeker wist dat het Duitse roots had. Mijn leven bleek één grote leugen toen ik las dat ook dit een Nederlands bedrijf is. SPAR is namelijk een afkorting voor “Door Eendrachtig Samenwerken Profiteren Allen Regelmatig”. Al die etymologieën van merknamen hebben me aan het denken gezet. Zoals je ziet, zijn de meeste merknamen een samentrekking. Als ik een afkorting maak van de eerste letters van mijn voornaam, achternaam en geboorteplaats krijg ik TiRoDo®. Op een of andere manier doet me dat denken aan een low budget pretpark. Toch geloof ik dat er nog wel merkwaardiger namen bestaan. Dus lezers, doe mij een plezier en schrijf jouw merknaam hieronder op. De origineelste naam mag als eerste over de kop in mijn gammele achtbaan.

923 shares

Ik snap 'm niet

Niets is zo gemakkelijk als een onomatopee: een stijlfiguur waarbij een of meerdere woorden een geluid nabootsen. Denk bijvoorbeeld aan 'slurpen' of 'piepen'. Het is recht voor zijn raap en iedereen weet waar je het over hebt. Toch zit er soms een addertje onder het gras.

Door Ties Rohof

Het woord 'onomatopee' komt uit het Grieks en is een samenstelling van onoma (naam) en poieō (Ik verzin, ik maak). Ik had er moeite mee om het woord te onthouden, totdat ik het geheugensteuntje hoorde van de cabaretier Lambert-Jan Koops. Beeld je een deftige Engelsman in die een strandwandeling maakt en bij een stevige windvlaag achterom kijkt en roept: “Oh no, my toupet!” Dat vergeet je nooit meer.

De Nederlandse taal zit vol met die onomatopeeën en ze verklaren vaak de vreemdste woorden. Soms verwacht je ook niet dat je te maken hebt met een klanknabootsing. Neem bijvoorbeeld het woord 'poespas', dat ‘gedoe om niks’ betekent. Je verwacht het niet, maar het is een nogal moeilijke onomatopee.

Mensen konden vroeger heel erg van poespas genieten. Het was namelijk een gerecht dat in de zeventiende eeuw was ontstaan en dat bestond uit uiteenlopende soorten groente en vlees; een soort stamppot dus. Het dankte zijn naam aan het soppende geluid (poesh-pash) dat het goedje maakte als je het omroerde. Hoe het woord synoniem is gaan staan voor onnodige commotie is moeilijk te zeggen. Misschien omdat een simpele handeling (het roeren) zorgt voor veel herrie (poespas), maar dat is een eigen invulling.

Dus, de volgende keer dat je iemand een heleboel herrie ziet maken zonder duidelijke reden, moet je hem maar naar de keuken verwijzen. Met een schort. Het spul schijnt nogal te spetteren.


923 shares

Ik snap 'm niet

Iedereen had er vroeger wel een: een teddybeer. Die van mij was lichtblauw. Hij miste een oog en had een scheve glimlach. Ik noemde hem Teddy. De originaliteitsprijs zou ik er niet mee winnen. Maar wist ik veel dat ik mijn dierbare knuffel indirect vernoemd had naar een Republikeinse Amerikaanse president?   Door Ties Rohof   Er doen verschillende verhalen de ronde over de herkomst van het woord teddybeer. Het heersende verhaal gaat als volgt: in 1902 was de Amerikaanse president Theodore Roosevelt aan het jagen op beren in de bossen van Mississippi. Alle mannen in zijn jachtpartij hadden al een dier geschoten, maar arme Teddy - zoals de president liefkozend in de volksmond genoemd werd, al had hij er zelf een hekel aan - had nog geen geluk. Om de president niet in verlegenheid te brengen, sloegen enkele mannen een zwarte beer bewusteloos, bonden hem aan een boom en spoorden vervolgens Roosevelt aan het dier te doden. Deze was echter van mening dat het onsportief zou zijn om het weerloze dier af te schieten. Hij liet de beer wél afmaken om het verder leed te besparen, maar telde dit niet als een punt in de wedstrijd. Wat een sportieve kerel! Cartoonist Clifford Berryman zag zijn kans schoon en maakte een politieke spotprent van de jachtscène, getiteld Drawing the line in Mississippi (een verwijzing naar een grensconflict dat op dat moment speelde), met een wel heel schattig beertje. Morris Michtom, een poppenmaker, zag de prent en werd geïnspireerd om het beestje na te maken. Hij fabriceerde een knuffelbeer die hij in de vitrine van zijn New Yorkse speelgoedwinkel plaatste. Met goedkeuring van Theodore Roosevelt noemde hij de knuffel Teddy’s Bear, vernoemd naar de president waar men zo om kon lachen. De knuffel werd een internationaal succes en de naam was al snel een fenomeen. Theodore mag dan wel al bijna honderd jaar dood zijn, zijn beer kom je nog in iedere kinderkamer tegen en dat heeft geen enkele president hem nagedaan. Toch denk ik dat de tijd rijp is om een nieuwe knuffel te introduceren. Een bruine beer die dolgraag iedereen aan een zorgverzekering helpt: de Obamacare bear!   Heb jij een woord waarvan je heel graag de herkomst wilt weten? Of weet je zelf een leuk verhaal over een woord? Laat je reactie hieronder achter! 

923 shares

Ik snap 'm niet

Onlangs kwam in Nijmegen een bekende Nederlander langs. Dat is voor een stadje zoals Nimma een groot ding. Ik zie eigenlijk nooit beroemdheden van eigen bodem. Alhoewel, twee weken geleden zag ik volgens mij Pieter Derks fietsend zijn hond uitlaten. Maar dat kon net zo goed ook iemand anders zijn met humor en een bril. Voor een cabaretier keek hij namelijk behoorlijk verdrietig toen hij de halfharde diarree van zijn cocker spaniel op moest ruimen.   Door Ties Rohof   Hoe dan ook, de bezoekende BN’er in kwestie was niemand minder dan Matsoe Matsoe. Je weet wel, die jongen die berucht werd door mee te doen aan ‘Oh oh Cherso’, dat geweldige sociale experiment waarin Haagse jongeren de culturele wereld van het Griekse Chersonissos induiken. Joey, zoals Matsoe Matsoe eigenlijk heet, was en is misschien wel de enige Nederlander die permanent ondertiteling nodig heeft bij alles wat hij zegt. Hij kwam langs in Nijmegen om als deejay op te treden. Want als Joey iets leuk vindt, dan zijn het wel felknipperende lichtjes en de kracht van herhaling. Over zijn optreden zelf mag ik niet oordelen, daar was ik niet bij. Van anderen heb ik vernomen dat hij het verbazingwekkend goed deed. Alleen was er één dingetje dat sommige bezoekers irriteerde: hij bleef maar vragen of er Hagenezen in the house waren. Die waren er logischerwijs niet, maar omdat Matsoe geen reactie kreeg, bleef hij doorvragen. Iemand had na zijn act - want dat scheen het te zijn - gevraagd of Hagenaren geen synoniem was voor Hagenezen. Matsoe had luidkeels ‘Nee!’ geroepen. Daar was geen ondertiteling voor nodig. En toegegeven, hij had gelijk. Er is daadwerkelijk een verschil tussen een Hagenaar en een Hagenees, hoewel niet iedereen het er over eens is wat de twee van elkaar onderscheidt. Uiteraard kan een Hagenees of Hagenaar dit zelf het beste uitleggen, maar ik zal een poging wagen. De Hagenezen zouden voornamelijk bestaan uit de harde kern inwoners. Het soort dat met mooi weer in onderbroek en witte sokken een blik pils in zijn voortuin gaat nuttigen. De Hagenaar is het tegenovergestelde. Hij vertegenwoordigt een kakkerig type dat wel in Den Haag woont maar er niet geboren is. Hij (of zij) is wel trots op de stad, maar heeft er desalniettemin een minder sterke band mee. Historisch gezien is er wel een duidelijke scheiding tussen de twee termen. Het verschil gaat zelfs terug naar de tijd dat Den Haag zich nog moest ontwikkelen tot stad. ’s-Gravenhage is namelijk deels gevestigd op zandduinen en deels op veengronden. De Laan van Meerdervoort, met 5,8 kilometer de langste straat van Nederland, vormde toen een scheidslijn tussen die twee gronden. Aan één zijde van de straat woonden de rijken - de Hagenaren dus - op het zand. De Vogelwijk en het Statenkwartier zijn verrezen op deze zanderige ondergrond. De minder bedeelde Hagenezen woonden op hun beurt weer op de vochtige veengronden. Hedendaagse wijken als Morgenstond en Moerwijk behoren tot dat gebied. De huidige Haagse stadskleuren zijn een verwijzing naar die scheiding: het geel staat voor zand, het groen voor de veengrond. Inmiddels zijn de scheidslijnen wel wat vervaagd. Maar noem een Hagenees nooit een Hagenaar. Of andersom.   Heb jij een woord waarvan je heel graag de herkomst wilt weten? Of weet je zelf een leuk verhaal over een woord? Laat je reactie hieronder achter! 

923 shares

Ik snap 'm niet

De fiets. Op een stilstaande NS-trein na is het misschien wel het meest Nederlandse vervoermiddel dat we kennen. Wij Nederlanders zijn sinds de uitvinding van het ding echte fietsexperts geworden. Toeristen kijken hun ogen uit wanneer Nederlandse moeders voorbij fietsen met kinderen achterop en een volle boodschappentas aan het stuur, terwijl ze acrobatische toeren uithalen. Those crazy Dutch! Door Ties Rohof   Hoe kaaskoppig fietsen ook is, vorig jaar bleek dat het woord ‘fiets’ niet eens echt Nederlands is. Nee, het zou van onze oosterburen komen. Die hebben blijkbaar altijd al iets met fietsen gehad. Joh. Toch duurde het lang voordat we tot die conclusie kwamen. Jarenlang waren etymologen het oneens over de oorsprong van die benaming van de tweewieler. Sommigen dachten dat het van het Zuid-Limburgse vietse - wat zoiets betekent als hardlopen -  afstamde. Anderen waren ervan overtuigd dat het om een verbastering van het Franse woord vélo ging. Taalwetenschappers zaten met de handen in het haar en zagen geen oplossing. En wat doe je als je het echt niet meer weet? Juist! Dan grijp je naar de fles. De doorbraak kwam dan ook toen Gunnar de Boel, een taalkundige aan de universiteit van Gent, cider inschonk voor zijn Deutsche freunde. Cider, ofwel 'viez' (uitgesproken als fiets) in het Duits. Vermoedelijk ging er na een paar slokken bij De Boel een fietsbelletje rinkelen; vroeger heette de appelwijn ‘vice-vinum’, wat zoiets betekent als 'vervangwijn'. In de loop der tijd was het tweede deel van het woord echter komen te vervallen. Misschien was hetzelfde gebeurd met de fiets! In het Duits heette de fiets namelijk vroeger een ´vize-pferd’, een vervangpaard.  Net als bij de cider zou na een tijd alleen het eerste woord ‘vize’ nog gebruikt worden om een fiets te duiden. Volgens De Boel, die hulp kreeg van zijn collega Luc de Grauwe, verbasterde het woord en namen de Nederlanders het weer over. Zo was het cirkeltje rond. Alleen werd vize in Duitsland verdrongen door fahrrad, aldus de Gentse taalkundigen. Toch staat ook deze kersverse theorie alweer ter discussie. Het woord fiets kwam namelijk eerder voor in Nederland dan in Duitsland, maar of het toen ook al synoniem stond voor de tweewieler is niet zeker. Hoog tijd om een nieuwe fles cider open te trekken! Heb jij een woord waarvan je heel graag de herkomst wilt weten? Of weet je zelf een leuk verhaal over een woord? Laat je reactie hieronder achter! 

923 shares

Ik snap 'm niet

Misverstand op misverstand. Zo kun je de ontdekking van het Latijns-Amerikaanse continent wel kenmerken. Het begon natuurlijk met die goeie ouwe Columbus die ervan overtuigd was dat hij India had bereikt en daarom onterecht de lokale bevolking als Indianen betitelde. Diezelfde Columbus zou zich wel in zijn graf hebben omgedraaid als hij had geweten dat het nieuwe continent uiteindelijk niet naar hem, maar naar Amerigo Vespucci werd vernoemd, een Italiaanse ontdekkingsreiziger die aantoonde dat dit toch echt een ‘nieuwe wereld’  betrof. Amerigo’s eeuwige roem stopte daar niet; ook het paard van Sinterklaas werd naar hem vernoemd. Door Ties Rohof   Enfin, het continent had een naam, dus het was tijd om het te gaan koloniseren. De eerste contacten tussen de Spanjaarden en de Indianen verliepen moeizaam. De taalbarrière was muy grande en de communicatie soms een beetje klungelig.  Neem bijvoorbeeld de naam voor het Mexicaanse schiereiland Yucatán. Volgens de legende vroeg Hernan Cortés, een conquistador die later de Maya’s zou onderwerpen, aan de inheemse bevolking hoe het Midden-Amerikaanse schiereiland heette. De indiaan in kwestie verstond uiteraard geen Spaans en antwoordde met ‘Ma c’ubah than’, wat Cortés verstond als Yucatán. Zo’n 450 jaar later hebben experts van Mayaanse dialecten vastgesteld dat Ma c’ubah than zoiets betekent als ‘Ik begrijp je niet’ of ‘Wat zeg je?’. Lang leve het misverstand. Terwijl de Spanjaarden steeds verder Zuid-Amerika introkken, kwamen ze voorwerpen tegen die ze een naam moesten geven. Zo hadden ze nog nooit een avocado gezien. De vrucht (ja, het is een vrucht ) werd door de Azteken een ahuacatl genoemd, wat testikel betekent. De Spanjaarden verstonden aguacate wat bij de verspreiding in andere landen weer verbasterde tot avagato en avocado. Ook op de Caribische eilanden, vernoemd naar de Carib-stam die daar leefde, deden de Spanjaarden een schokkende ontdekking.  Het volk at namelijk de lichamen van overwonnen mannen en vrouwen. Het woord Caribna, zoals de stam door de ontdekkingsreizigers werd genoemd, verbasterde tot kannibaal en deed de Europeanen huiveren. Het bevestigde wat veel westerlingen al vermoedden; die indianen waren een stelletje barbaren. Een hele waslijst aan etymologieën, ik weet het.  Het toont ons twee zaken. Ten eerste waren de conquistadores ook maar mensen die af en toe een foutje maakten. Ten tweede kunnen we nu met een vrij grote zekerheid vaststellen dat Azteken heel vreemde testikels hadden. Man, man, man. Heb jij een woord waarvan je heel graag de herkomst wilt weten? Of weet je zelf een leuk verhaal over een woord? Laat je reactie hieronder achter! 

923 shares

Ik snap 'm niet

Tip voor de volgende keer dat je in een vergadering zit, waar je echt geen zin in hebt: vertel je collega’s zo nonchalant mogelijk  dat je helaas weg moet omdat je nog moet ‘epibreren’. Mensen zullen wellicht fronsen en zich afvragen wat dat inhoudt, maar hoogstwaarschijnlijk zal niemand aan je vragen wat je nu werkelijk bedoelt. Mochten ze dit wel doen, gebaar dan naar een collega dat hij het wel zal uitleggen. Je hebt namelijk ontzettend veel haast en kan die stompzinnige vragen onmogelijk beantwoorden met die drukke agenda van je. Deze stemt toe, want hij wil natuurlijk ook niet voor paal staan. Je kunt je dan, breed  glimlachend, uit de vergaderruimte verwijderen . En terwijl je collega’s hun hersenen aan het pijnigen zijn over wat dat epibreren toch is, zit jij al in je auto richting huis. Door Ties Rohof Epibreren is namelijk helemaal niks. Het woord is in 1954 door de Nederlandse schrijver Simon Carmiggelt geïntroduceerd en betekent letterlijk: het verrichten van niet nader gespecificeerd werk dat heel voornaam lijkt, maar desondanks helemaal niets voorstelt. Carmiggelt had een jaar eerder een Haagse ambtenaar het woord horen gebruiken. Deze landsdienaar had Carmiggelt beloofd een document in negen dagen aan te leveren. Het hoefde alleen nog maar even’ geëpibreerd’ te worden. Carmiggelt had geknikt en was naar buiten gelopen, toen hij zich realiseerde dat hij geen idee had wat dat epibreren nou inhield. Dus, hij maakte rechtsomkeert en liep terug naar het loket waar de taalimprovisator zich bevond. Verontschuldigend vroeg Carmiggelt of deze wilde uitleggen wat hij nou eigenlijk bedoelde. De ambtenaar en zijn collega’s achter het loket legden hun pennen neer, waarna de Hagenees verklaarde dat dit een mooi moment voor hem was. Hij gebruikte het woord zelf namelijk al jaren voor verschillende doeleinden en niemand had ooit naar de betekenis gevraagd. Het woord is na 1954 nog vaker gebruikt. In een interview legde Carmiggelt uit dat een koekjesfabriek moeite had om sollicitanten te vinden – het was duidelijk nog geen crisistijd. Toen ze als laatste redmiddel epibreren toevoegden aan de taakomschrijving, meldden zich plots meerdere gegadigden voor de baan. Een duur woord maakt alles een stuk interessanter. Dat gezegd hebbende, beëindig ik contrecoeur mijn explicatie over dit verzonnen woord.

923 shares

Ik snap 'm niet

What’s in a name?

Het werkwoord ‘stieren’ zegt je ongetwijfeld niets. Toch bestaat het echt. In mijn vriendenkring althans. Stieren betekent dat je wel betaalt voor een activiteit, maar door een zekere passiviteit toch niet aan die activiteit meedoet.  Door Ties Rohof Een vriend van mij, Jos Stiers, heeft het woord de wereld in geholpen. Geheel per ongeluk overigens. Sterker nog, hij haat het woord. Jos had namelijk een reis geboekt naar Manchester; hij zou van daaruit na een week flink zuipen doorvliegen naar Spanje. Maar Jos had een probleem. De ochtend van zijn vertrek richting Engeland was hij zijn paspoort kwijt. Na lang zoeken kwam hij op een briljant idee: hij ging een uiltje knappen. Toen ik hem de volgende dag aantrof, vertelde hij me doodleuk dat hij niet meer ging. Ook het annuleren van zijn vluchten vond hij onnodig: “Dat komt allemaal wel goed,” stelde hij. Daar vergiste hij zich danig in: Jos moest alle kosten betalen. En zo is het stieren in mijn omgeving een begrip geworden. “Hè? Eet Henk niet mee? Hij had toch meebetaald?” “Ja, maar hij is moe. Hij stiert ‘em.”

Hooligan

Het zou niet de eerste keer zijn dat iemands achternaam een begrip werd. Neem het woord hooligan. Dat stamt waarschijnlijk af van de Houlihans, een Ierse familie die zich halverwege de 19de eeuw in Londen vestigde. Zoonlief Patrick kon zijn draai niet vinden in de grote stad. Hij werkte aanvankelijk als uitsmijter, maar verzamelde langzaamaan een groep criminele vrienden om zich heen die Jan en alleman beroofden. Uiteraard kregen de Londense media en politie hier lucht van. De gevaarlijke Houlihan werd een fenomeen en mettertijd werd de naam verbasterd tot ‘hooligan’.

Boycot

Er zijn meer Ierse achternamen die zich internationaal hebben gemanifesteerd. Wat dacht je van boycotten? Het woord stamt af van Charles Boycott. De Ierse landeigenaar werd in 1880 compleet genegeerd door zijn dorpsgenoten in Ballinrobe, omdat de pachters van Boycotts grond boos waren dat een aantal medepachters de toegang tot het land ontzegd was, nadat ze hadden geprotesteerd over de hoge pachtprijs. In plaats van geweld te gebruiken, wisten de pachters te bewerkstelligen dat werkelijk niemand meer iets met Charles te maken wilde hebben. Zijn post kwam niet meer binnen, hij kon nergens een biertje bestellen en hij kon geen arbeiders vinden die zijn oogst van het veld wilden halen. De arme Boycott was daardoor genoodzaakt om tegen een hoge prijs vijftig mannen uit Belfast in te huren. Uiteindelijk kreeg de Ier toch zijn oogst binnen, maar zijn naam was ondertussen synoniem geworden voor het uitsluiten van samenwerking.   Heb jij een woord waarvan je heel graag de herkomst wilt weten? Of weet je zelf een leuk verhaal over een woord? Laat je reactie hieronder achter!

923 shares

Ik snap 'm niet

“Eén kapsalon, alstublieft!”

De Nederlandse keuken wordt vaak tekortgedaan. Ons eten zou voornamelijk bestaan uit aardappels en draadjesvlees en de keuken wordt vaak – zelfs door Nederlanders - omschreven als eenzijdig, niet de moeite waard. Dat is natuurlijk onzin! Door Ties Rohof Want laten we wel wezen: in de Lage Landen is een van de meest voedzame (lees: calorierijke) gerechten ter wereld ontstaan: de kapsalon. Een bakje met friet, bedekt met shoarma, belegd met Goudse kaas en afgetopt met een salade. Best smakelijk, toch? Desalniettemin laat het woord ‘kapsalon’ nu niet meteen het water in de mond lopen; we associëren het eerder met krulspelden en kapstoelen. Er zit dan ook een speciaal verhaal achter de benaming van deze calorieknaller. De zaak van de Rotterdamse kapper Nathaniël Gomes liep storm in 2003. Het was zelfs zo druk in zijn zaak dat hij vaak de lunch moest overslaan en pas na zessen iets tot zich kon nemen. Omdat hij dan niet meer het geduld op kon brengen om ook nog een hele maaltijd klaar te moeten maken, liep hij geregeld na sluitingstijd binnen bij El Aviva, een nabijgelegen shoarmazaak. Om zijn honger te stillen, stelde hij een schotel samen met zijn favoriete ingrediënten. Dit waren frietjes, shoarma, wat kaas, een salade en sambalsaus. Nu is het vrij vermoeiend om iedere dag die waslijst aan bestanddelen op te noemen, laat staan als je de hele dag hebt gewerkt. En als je vaste klant bent, dan weet een goede buur vast wel wat je wilt hebben. Dus riep Turgut, de eigenaar van El Aviva, altijd als Nathaniël binnenkwam: “Eén shoarma kapsalon!” En wat Nathaniël lekker vond, konden andere klanten misschien ook appetijtelijk vinden. Dus Turgut besloot de schotel op de menukaart te zetten. Het gevolg? De kapsalon-gekte verspreidde zich door Rotterdam, bereikte vervolgens de Randstad en is ondertussen in heel Nederland te vinden. Zelfs België is al in de ban van de kapsalon. De toekomst van deze Rotterdamse uitvinding ziet er dus rooskleurig uit. Nederland is klein, eet groot.