Woordweetje: Koosjer Roodkapje

Een beetje taalliefhebber weet dat de woorden ‘Mokum’, ‘schlemiel’ en ‘mazzel’ ontleend zijn aan het Jiddisch, dat op zijn beurt in veel gevallen teruggaat op het Hebreeuws. Maar er schuilen in de Nederlandse taal meer prachtwoorden met Joodse roots. Om dat duidelijk te maken, ben ik zo vrij geweest een koosjere versie van het geliefde sprookje ‘Roodkapje’ te schrijven, met de etymologie van woorden van Jiddische en/of Hebreeuwse afkomst tussen haakjes. Toi-toi-toi met het ontcijferen!

 

Door Mark Mackintosh

 

Er was eens een meisje dat met haar misjpoge (< misjpacha; familie) in een achenebbisj (< och un nebbisj; uitroep van medelijden) huisje aan de rand van Mokum (< makom; plaats) woonde. Het meisje droeg altijd een rood doekje om haar hoofd. Daarom noemden de mensen haar ‘Roodkapje’. Ze had een grootmoeder die aan de andere kant van Mokum woonde. Op een dag was die grootmoeder niet helemaal lekker.

“Wil jij deze mand met koosjer (< kasjeer; rein, geschikt) eten naar je mesjogge (< mesjogge; gek, krankzinnig) oma brengen?” vroeg de moeder van Roodkapje. “Dan wordt ze vast snel beter.”

Tof (< tov; goed)!”, zei Roodkapje en ze ging op weg.

“O, en ga niet van het pad af, Roodkapje!” riep moeder haar na. “Dan kun je niet verdwalen en kom je niet in contact met gajes (< goj; niet-Jood).”

Roodkapje deed wat haar moeder had gezegd. Ze wist dondersgoed dat ze bij haar niet met smoezen (< schmues; gerucht) aan kon komen. Huppelend en zingend volgde ze het pad. Onderweg kwam ze de jager tegen. Iedereen in Mokum vond hem eigenlijk een beetje een schlemiel (< shlemil; kneusje). Roodkapjes moeder had eens verteld dat hij een tijdje in de bajes (< bajit; huis) had gezeten. Smerissen (< shomer; iemand die de wacht houdt bij een overledene) hadden hem op heterdaad betrapt toen hij probeerde de extensions van Raponsje te jatten (< jad, jadájiem; hand, handen).

“Waar ga je naartoe, Roodkapje?” vroeg hij.

Gozer (< chosen; bruidegom)!”, zei Roodkapje. “Je laat me schrikken! Ik ga naar grootmoeder. Ze is niet helemaal lekker.”

“Dat is aardig”, zei de jager. “Blijf wel op het pad, meisje, anders verdwaal je nog. En pas op voor geteisem (< chatteisem; gepeupel), vooral voor de grote boze wolf. Oké, de mazzel (< mazal; goed gesternte, geluk)!”

Maar Roodkapje was helemaal niet bang voor de wolf en ze huppelde vrolijk verder.

“Ik ben niet bang voor de boze wolf, ’k ben niet bang, ’k ben niet bang! Ik ben niet bang voor de boze wolf, ’k ben niet bang!”

Plotseling sprong er vanuit het niets een groot, harig dier voor haar voeten. De wolf! Hij was toch wel een beetje eng! Zou hij haar bezoek aan oma versjteren (< versjteren; iemands plezier of vreugde bederven)?

“Waar ga je naartoe, meisje?” vroeg de wolf met zijn liefste stem.

“Luister, wolf,” zei Roodkapje, “ik ben niet een van je gabbers (< chaveer; vriend, kameraad) en ik heb geen zin in heibel (< hewl; koude drukte). Ik ga gewoon naar mijn grootmoeder. Ze is niet helemaal lekker.”

“Wat aardig!”, zei de wolf. “En waar woont jouw oma dan wel?”

Roodkapje zuchtte. Ze zei dat ze alleen maar het pad hoefde te volgen en er dan vanzelf zou komen, thank you very much. De wolf kreeg een idee dat niet bepaald koosjer was.

“Weet je dat er verderop prachtige bloemen staan?”, zei de goochemerd (< chacham; wijze). “Daar zou je oma vast blij mee zijn.”

“Nogmaals, ik mag niet van het pad”, zei Roodkapje, op een ietwat passief-agressieve toon. Schorem (< sjkorem; leugens), dacht ze, sodemieter toch op.

“Haha, dat is heel goed van je,” zei de wolf, “maar denk er eens aan hoe blij je oma zou zijn.”

“Hmm, dat is waar”, zei Roodkapje. Ze dacht dat een paar bloempjes geen kwaad konden. Stiekem (< sjetieka; zwijgen, stilte) ging ze het pad af op zoek naar de bloemen. Ondertussen rende de wolf snel naar grootmoeders huisje en trok aan de bel.

“Wie is daar?”, vroeg grootmoeder.

“Ik ben het, Roodkapje!”,  jokte de wolf met een hoog stemmetje. “Ik kom wat lekkers brengen!”

De wolf stormde de kamer in. Met één sprong was hij bij oma en met één hap was oma pleite (< pleta; vlucht). Toen zette de wolf een slaapmuts op en deed, net als oma, een nachtjapon aan. In zijn nieuwe kloffie (< kelife; schaal, omhulsel) ging hij in bed liggen. Wat een gotspe (< chotspe; brutaliteit)!

Roodkapje was nog altijd diep in het bos. De bolleboos (< ba’al ha’bajit; heer des huizes) had toch veel bloemen geplukt en had er geen sjoege (< sjoewe; antwoord) van dat het al bijna donker was. Snel zocht ze het pad terug en holde naar grootmoeders huisje.

“Wie is daar?”, klonk het.

Wat een rare stem! Oma was vast heel ziek.

“Ik ben het, Roodkapje.”

“Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open”, piepte de wolf.

Roodkapje stapte binnen. Ze vond dat haar oma er maar raar uitzag. Zo afgepeigerd (< peiger; lijk, kadaver). Zou ze hoteldebotel (< awar oewoteel; heengegaan en verdwenen van de wereld) van iemand zijn en liefdesverdriet hebben?

“Kom toch verder, lief kind.”

Haar stem klonk echt héél ziek.

“Oma, uw ponem (< paniem; gezicht)! Wat heeft u toch grote oren!”

“Dan kan ik je beter horen, mijn kind.”

“En oma, wat heeft u toch grote ogen!”

“Dan kan ik je beter zien, mijn kind.”

“Maar oma, wat heeft u toch grote handen!”

“Dan kan ik je beter pakken, mijn kind.”

“Maar oma, wat heeft u toch verschrikkelijk grote tanden!”

“Ja, dan kan ik je beter… opeten!”

De wolf sprong op en voordat Roodkapje het besefte, had hij haar in één hap opgegeten.

Daar ga je (< lechajiem; op het leven)!”

De wolf ging weer in bed liggen en viel in een diepe slaap. Het lef (< lev; hart) van het beest! De jager, die in de buurt was, hoorde zijn gesnurk. Hij keek door het raam naar binnen en zag meteen dat het geen zieke oma was die daar in bed lag. Het was die sjofele (< safal; laag, gering) wolf met een hele dikke, ronde buik. De jager sloop het huisje binnen en sneed voorzichtig de buik van de slapende wolf open. Daar kwam Roodkapje tevoorschijn. En daar was ook grootmoeder.

“Oef! Ik ga écht nooit meer van het pad af”, zei Roodkapje. “Meisjes als ik moeten niet zulke kapsones (< gawsones; hoogmoed) hebben!”

De jager fluisterde: “Zullen we eens een geintje (< chein; plezier) uithalen met die gemene wolf? Roodkapje, haal buiten wat grote stenen.”

Het meisje gapte (< chappen; stelen) een paar zware stenen uit de tuin van de buurman en droeg die naar de jager. Snel stopte hij ze in de buik van de wolf. Grootmoeder naaide de buik weer netjes dicht. Daarna verstopten ze zich en wachtten af. Toen de wolf wakker werd, voelde hij zich niet zo lekker. Hij strompelde het huisje uit, het bos in. Hij mompelde: “O, wat voel ik me beroerd. Ik heb iets doms gedaan. Ik was hartstikke mesjogge om mensen op te eten en zal het nooit meer doen. Voortaan schop ik geen stennis (< sjtannes; argwaan) meer, daar kun je van op aan.” En inderdaad, van de wolf hebben Roodkapje en haar oma nooit meer iets gezien of gehoord. En ze leefden nog lang en gelukkig, in een wereld zonder enige sores (< tsores, verdriet).


Ken jij nog meer jofele (< jofe; mooi, aangenaam, nuttig) woorden van Jiddische/Hebreeuwse origine? Deel ze hieronder! Op- of aanmerkingen over de koosjere versie van Roodkapje zijn eveneens welkom, but please be Yentl with me!

Woordweetje

Woordweetje: New York en Yankees

Woordweetje: New York en Yankees

Eigenlijk hebben Nederlanders het niet getroffen, taaltechnisch gezien dan. Internationaal is apartheid het meest gebruikte Nederlandse woord, dan weet je het e...


Column

Column: Slechte slogans

Column: Slechte slogans

Inmiddels kunnen we niet meer over straat zonder ze te zien: bedenkelijke slogans. Vaak zijn die slogans dan ingezonden voor onze site slechteslogans.nl. Ze sta...


Column

Column: Klapschrijver met tien ramen

Column: Klapschrijver met tien ramen

Maandagmiddag, half vijf. Daar zit ik dan. Eindelijk. De eerste ademtocht het lekkerst. Streling van de ruggengraat. Simpel kan het leven zijn. Het geluk van ee...