Column: Wablief?
“Caro! Freddy is doing the thing again for to make noise! Can you get the recording dingetje to make proof of him loco?” Onze nieuwe stagiaire lacht...
Het overkomt de beste weleens: je zit in een langslepende discussie over wie er gelijk heeft of je probeert je oude auto te verkopen voor de hoofdprijs, maar de kopers laten het afweten. Op een gegeven moment denk je: laat maar zitten, ik neem wel genoegen met iets minder. Ofwel: je kiest eieren voor je geld. We gebruiken deze uitdrukking massaal wanneer we bakzeil halen of onze eisen verlagen om groter verlies te voorkomen. Maar waarom ruilen we onze harde knaken in voor een doosje eierdozen als we eieren voor ons geld kiezen? Tijd om de marktkoopman in onszelf naar boven te halen en te kijken naar deze opmerkelijke ruilhandel.
Voor de oorsprong van deze uitdrukking moeten we een paar eeuwen terug, naar de zestiende eeuw om exact te zijn, de tijd van keizer Karel V. In die periode was de schaarste aan echt muntgeld in delen van Nederland, zoals Friesland, zó groot dat men in het dagelijks handelsverkeer noodgedwongen overging op betaling in natura. Eieren werden daardoor een officieel geaccepteerd ruilmiddel. De waarde ervan was historisch laag: voor één schamele stuiver kreeg je destijds maar liefst 32 eieren! Niet gek dus dat eieren, net als haverstro en bonen, symbool stonden voor iets dat bijna niets waard was.
Deze extreme geldschaarste zorgde voor een hard dilemma, of je nu als handelaar op de jaarmarkt stond of als arme loonwerker net je klus had afgerond. Je wilde het liefst keiharde guldens of stuvers zien, maar als de markt op zijn einde liep of de boer simpelweg geen munten in zijn zak had, stond je voor een keuze: koppig blijven eisen dat je in cash werd betaald – met het risico dat je met lege handen of een onwisse schuld naar huis ging – óf akkoord gaan met een flinke mand verse eieren.
Men koos in zo’n geval eieren voor zijn geld. Het was misschien niet de lucratieve deal waar je op had gehoopt, maar van die eieren kon je tenminste nog eten of ze later alsnog ergens anders tegen ruilen. Het was beter om íets van waarde te bezitten dan te blijven wachten op geld dat toch niet ging komen. Wel had deze unieke valuta een strakke deadline: een ei moest binnen drie weken geconsumeerd of doorverhandeld zijn, anders veranderde het betaalmiddel abrupt in een stinkend projectiel voor het schandblok.
In die tijd was de eierboer overigens niet de enige met dit probleem; men koos destijds net zo makkelijk ‘appelen voor het geld’. Die twee goedkope producten smolten in onze taal later samen tot de bekende uitdrukking ‘voor een appel en een ei’ (iets voor een spotprijs kopen). En als een taakje tegenwoordig heel gemakkelijk is, noemen we het nog altijd gekscherend ‘appeltje-eitje’. Zelfs ons aloude verjaardagsliedje herinnert ons nog aan het bezit van deze eier-valuta: “Ei, ei, ei, en we zijn zo blij!” zingen we nog altijd, al denken we nu eerder aan feeststemming dan aan een zestiende-eeuws loonstrookje.
Dus de volgende keer dat je eieren voor je geld kiest in een discussie om de lieve vrede te bewaren, hoef je je niet het gevoel te hebben dat je hebt gefaald. Je hanteerde gewoon een eeuwenoude overlevingstactiek. Je hebt misschien niet de hoofdprijs in keiharde knaken, maar je gaat in elk geval niet met lege handen naar huis.
“Caro! Freddy is doing the thing again for to make noise! Can you get the recording dingetje to make proof of him loco?” Onze nieuwe stagiaire lacht...
Foto door Jan Arsenovic Kijk naar je eigen! Leedvermaak is zo oud als de mensheid. We vinden het heerlijk om te lachen om andermans stommiteiten. Het deed het v...
Van apen die uit mouwen komen tot honden in potten: het Nederlands zit vol rijke spreekwoorden die tot de verbeelding spreken. Maar over de grens kunnen ze er o...
Zo. Daar begint de dichtbundel van Tim Hofman mee. Het veelbesproken boek dat inmiddels al aan zijn zevende druk toe is, bevat veel woordgrapjes, maar ook gedic...