Column: De kokodril van Denzel
We zitten in de kring. “Wat zou je toveren, als je voor één dag een tovenaar was?”, is de vraag. Ik hoor de mooiste dromen, die vooral te maken hebben met een z...
Als er één woord is dat de Nederlandse taal heeft geadopteerd alsof het een verloren gewaand familielid is, dan is het wel ‘überhaupt’. We gebruiken het te pas en te onpas: om een punt te maken, om een discussie af te kappen of gewoon omdat het zo lekker gewichtig uit de keel rolt. Maar waar komt deze Duitse indringer eigenlijk vandaan? Hebben we het hier over een officier die boven het gewone volk staat, of is het een taalkundig manusje-van-alles? Tijd om de lederhosen aan te trekken en te kijken hoe dit woord onze taalgrenzen wist te passeren.
De term is logischerwijs een samenstelling van de Duitse woorden über (over) en Haupt (hoofd). Wie denkt dat dit iets te maken heeft met een fysiek hoofd, heeft gelijk, al moet je daarvoor wel even terug naar de middeleeuwse veemarkt. Als een handelaar een hele kudde schapen in één keer verkocht, ging hij niet elk dier apart inspecteren op vlekjes of mankementen. Hij keek ‘over de koppen heen’ (über Haupt) naar de hele groep. Je kocht de handel dus ‘in het algemeen’, zonder onderscheid te maken tussen de individuele beesten.
In de achttiende eeuw verhuisde dit principe van de veemarkt naar de rechtspraak en de handel. Men ging zaken ‘überhaupt’ bekijken: niet kijkend naar de specifieke details, maar naar het totaalplaatje dat over alle hoofden heen gold. Het woord ‘hoofd’ veranderde hierbij van een fysiek lichaamsdeel naar een abstracte eenheid voor ‘iedereen’ of ‘alles’.
In het Nederlands dook het woord pas echt op rond het einde van de negentiende eeuw. Onze taalpuristen van die tijd kregen er direct vlekken van in hun nek en noemden het een overbodige indringer. Waarom zou je ‘überhaupt’ zeggen als we alternatieven hebben als ‘eigenlijk’, ‘in het geheel’ of ‘hoe dan ook’? Maar de Nederlander was al verkocht; het woord is namelijk de ultieme taalkundige bulldozer. Zodra je ‘überhaupt’ in de strijd gooit, veeg je alle lastige details van tafel en dwing je de discussie naar jouw totaaloverzicht.
Het mooie aan überhaupt is namelijk de veelzijdigheid. Je kunt het gebruiken als twijfelgeval (“Gaan we überhaupt wel?”), als versterking (“Dat is überhaupt niet waar!”) of als ultieme uitsmijter onderaan een betoog. Het woord heeft een soort autoriteit die onze eigen synoniemen missen. Als je ‘überhaupt’ zegt, klink je direct alsof je de hele situatie vanuit een helikopterperspectief bekijkt, terwijl je ondertussen misschien alleen maar probeert uit te leggen waarom je de afwas niet hebt gedaan.
Tegenwoordig is het woord zo ingeburgerd dat we bijna vergeten dat het een importproduct is. Het heeft de taalkundige inburgeringscursus met vlag en wimpel gehaald. Zelfs de felste tegenstanders van leenwoorden krijgen het inmiddels niet meer uit hun systeem.
Dus de volgende keer dat je roept dat je “überhaupt geen zin hebt in deze discussie”, bedenk dan dat je eigenlijk als een middeleeuwse schapenhandelaar over de details heen kijkt naar de grote, onvermijdelijke waarheid. Het kost je misschien de moeite om naar de details van de ander te luisteren, maar het levert je wel het ultieme argument op: door over alle koppen heen te kijken, beslis jij waar het gesprek echt over gaat. En daar valt eigenlijk geen speld meer tussen te krijgen.
We zitten in de kring. “Wat zou je toveren, als je voor één dag een tovenaar was?”, is de vraag. Ik hoor de mooiste dromen, die vooral te maken hebben met een z...
Een moedertaalspreker maakt nooit een fout in zijn moedertaal, zo bepleit Jan Stroop....
Zo. Er is weer een jaar voorbij waarin mooie woorden zijn gesproken, harde woorden zijn gevallen en – niet onbelangrijk – nieuwe woorden zijn ontsta...
Foto door Coen Broos Bommel-ding Ik moet een jaar of zeven zijn geweest zijn toen het besef hoe leuk taal kan zijn voor het eerst kwam. Ik was ziek en moest bin...