Column: Dialectisch maar gelukkig

brabantse-met-worst_brabantse-metworst

Uit een onderzoek van de Universiteit van Tilburg in 2016 blijkt dat het salaris van dialectsprekers gemiddeld 5 procent lager ligt dan dat van niet-dialectsprekers. Na het lezen van dat onderzoek heb ik een jaar lang m’n best gedaan om van m’n dialect af te komen. De conclusie: een beetje dialect zal ik altijd blijven houden. Ik kom er nooit meer vanaf. Waarschijnlijk heb ik daarom geen opslag gekregen.

Door Dion van Meel

Ik woonde nog geen week in Tilburg toen ik voor het eerst tegen de grenzen van mijn eigen dialect aanliep. Het was tijdens een kort gesprek met mijn eerste Tilburgse voetbaltrainer. Ik zei hem dat ik mijn nieuwe voetbalteam zo leuk vond. Hij reageerde met: “Of nie!” Een pijnlijke stilte viel, waarna ik alleen nog het woord ‘jawel’ kon uitbrengen, niet wetende wat hij nu precies bedoelde. “Un grôote kwèèk opzètte ôk nog.” Zoiets mompelde hij terwijl hij wegliep. Het duurde lang voordat ik besefte dat “of nie!” een bevestiging was op wat ik net had gezegd. Een soort bevestiging zoals “Ja, hè?” Ik kon er maar niet aan wennen. Nóg langer duurde het totdat ik begreep dat het Tilburgse “Joa, zeetie” een reactie was op een sterk verhaal dat ik had verteld, daar waar ik eerst helemaal niet begreep waarom iemand dat zei; ik had helemaal geen ‘joa’ gezegd.

Het waren mijn eerste strubbelingen met mijn eigen dialect. Geboren en getogen in Made, een dorp op een half uurtje rijden van Tilburg, wist ik maar al te goed hoe het Brabants klonk. Voor mij bestond echter maar één dialect in Brabant: dat van mijn dorp. Natuurlijk wist ik dat er meerdere dialecten waren in Nederland, maar dat ik binnen Brabant óp en ónder voetbal kon zitten, dat wist ik niet.

Inmiddels ben ik zo’n twaalf jaar Tilburger en nog steeds word ik dagelijks geconfronteerd met mijn West-Brabantse afkomst, als ik met mijn leerlingen in Tilburgs dialect probeer te praten. Ik ken de Tilburgse uitspraken inmiddels wel – voetbaltrainers zijn ideale taalstudieobjecten en tijdens carnaval kun je goed luisteren als je eigen stem al weggeschreeuwd is – maar mijn pubers fop ik nog steeds niet. Die horen meteen mijn accent. “Das gin Tilburgs, meneer!” roept de één dan. “Of nie!” reageert de ander. Ik blijf het proberen. Maar hoe vaak ik ook struikel en weer opsta, hoe vaak ik ook luister naar ras-Tilburger Ferry van de Zaande, het Tilburgse dialect zal nooit míjn dialect zijn. Dialect is een gevoel dat je meekrijgt als kind. Een gevoel dat je je, hoe hard je ook je best doet, niet eigen kan maken. Al zou je dat willen.

Brabantse vrienden van me hebben zich de harde ‘g’ aangeleerd. Vanwege hun werk in de Randstad. Volgens onderzoek voelen zij zich daar blijkbaar niet serieus genomen met hun zoetgevooisde ‘g’. Dat probleem heb ik niet; als Brabantse leraar in Brabant kan ik praten zoals ik dat heb geleerd zonder me daar schuldig over te voelen. Héél erg anders is mijn accent trouwens niet dan dat van mijn leerlingen. En al is het anders; ik ben graag mezelf en daar hoort mijn accent bij.

Ach, wie houd ik voor de gek; ook míjn stoerheid reikt tot aan de rivieren boven me. Ook ík heb die neiging me aan te passen als ik over die rivieren ben. Die neiging om woorden te kiezen waarin die ‘g’ niet zit als ik in de Randstad ben. Die drang om mijn strot overdreven vaak in te zetten om een geforceerd ‘geweldig’ met harde ‘g’ eruit te persen. Of om zelfs voor de veilige vervanger ‘fantastisch’ te kiezen. Waarom? Omdat ik me niet anders wil voelen. Omdat ik erbij wil horen en wil dat de ander mij niet veroordeelt om mijn accent. Zwak? Absoluut. Boven de rivieren voel ik me simpelweg niet geheel mezelf.

Alleen maar vanwege die ‘g’? Joa, allin moar vanwege diejen ‘g’. Na een dag vol geroggel met harde ‘g’, vlucht ik zonder stem weer terug naar Brabant. Om er nooit meer weg te gaan.

Het zijn de verschijnselen van m’n ‘dialectie’ die me achtervolgen; een afwijking die ervoor zorgt dat ik woorden niet kan uitspreken zoals een nieuwslezer uit ’t Gooi dat doet. De conclusie van deze afwijking? Minder salaris. Lig ik daar wakker van? Nee. Want dialectie of nie: ik ben gelukkig. En geluk, met een harde of zachte ‘g’, das nie te koop.


Dion van Meel is docent Nederlands op een middelbare school in Tilburg en keeper bij Willem II amateurs. Hij schrijft graag columns en korte verhalen over dingen die hem opvallen in de wereld van het voetbal, het onderwijs en de Nederlandse taal. Je kunt zijn overdenkingen ook volgen op Facebook en via dionvanmeel.nl, en natuurlijk hier! Lees meer taalcolumns van Dion.


Wil je zelf je taaloverdenkingen terugzien op onze site? Stuur je column in.

Column

Column: Leuker kunnen we het niet maken

Column: Leuker kunnen we het niet maken

Ja hoor, stuurt er een keer een taalkundige een plaatje naar Taalvoutjes, bevat het geen taalvout! En grappig is de titel van het boek van Anne van Veen ook al ...


Column

Column: Drie jaar op wereldreis

Column: Drie jaar op wereldreis

De Afrikaanse savanne? Die kennen we uit documentaires en Burgers’ Zoo. Japans, Ethiopisch of Argentijns eten? Doen we gewoon in eigen land. Rio, Melbourne en T...


Column

Oproep: stuur je omarmwoord in!

Oproep: stuur je omarmwoord in!

Twentenaren weten het: koekjes die zacht zijn geworden noem je ‘slof’. En de Limburgers onder ons weten precies wat ‘zwaj’ betekent: die geur buiten als het pas...