Ik snap 'm niet
[intro]OMG, idd brb me BFF.
De hedendaagse taalveranderingen, ik kan er maar niet aan wennen. Ik weet ook zeker dat mijn leraar Nederlands van de middelbare school het er helemaal niet mee eens zou zijn geweest. En - dat is zeker - ik weiger eraan mee te doen. Natuurlijk ben ik een zeurpiet en ‘weet ik toch wat er wordt bedoeld’, maar dat is voor mij niet genoeg. Het is niet ‘me’ boek, het is ‘mijn’ boek. Vreselijk. [/intro]
Door: Machteld Berkelmans
Ik ben niet de enige die er zo over denkt. Gelukkig zijn er meer mensen die de Nederlandse taal nog hoog in het vaandel hebben staan. Dat zijn net zulke zeurpieten als ik. Ik begrijp best dat jongeren zich niet meer kunnen verliezen in de taal van Couperus, maar om nu alles maar af te schaffen en te roepen dat het allemaal moet kunnen, dat gaat me toch echt te ver.
En dan zijn er nog die uitdrukkingen en afkortingen. Ik snap er niks van. LOL, wat nou?! ‘Met je BFF op een terrasje zitten’, heel bijzonder. Laatst kwam ik een blog tegen die begon met ‘Hi peeps’. Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat het de enige twee woorden zijn die ik van deze schrijver heb gelezen.
Maar niet alleen in appjes en blogs kom je dat soort dingen tegen; ook in een zakelijke omgeving worden te pas en te onpas uitdrukkingen verkeerd gebruikt. De moderne managementtaal is een gruwel; waar halen die mensen al die woorden vandaan? ‘Opschalen’, ‘downsizen’, tijdens de ‘uitrol’ kunnen we alles ‘handjes en voetjes geven’, om het daarna te ‘levelen’. Want het wordt nog een hele ‘challenge’. Tssss. We laten tegenwoordig niks meer escaleren, we escaleren het gewoon zelf.
Onze Nederlandse taal, zou het een uitstervend fenomeen zijn? Tenslotte zijn er al reclamespots op televisie waar geen woord Nederlands meer aan te pas komt. Mensen die dit niet goed kunnen volgen, zullen wel niet tot de doelgroep behoren. En het ergste is, je hoort overal om je heen zoveel Engels dat het vaak niet eens opvalt. Het zou wel makkelijk zijn, hoor, als iedereen elkaar verstaat. Ik ben de laatste die daar een probleem mee heeft. Maar ik houd toch nog steeds van het Nederlands.
Ach, wie weet. Misschien komt er in de toekomst nog wel eens een vereniging van mensen die de oude Nederlandse taal beoefenen. In besloten kring natuurlijk, de voertaal is dan immers Engels geworden. Een Engels waar Oscar Wilde en W.B. Yeats nog nooit van gehoord hebben, dat dan weer wel. We communiceren in afkortingen en emoticons en lappen alle oude regels aan onze laars. Tenslotte snapt iedereen best wat we bedoelen, toch?
Door Klaas Doozeman
Die volheid kom je steeds meer tegen. Zo is er het laatste decennium een woord met stille trom, fluistertoon en kousenvoeten vertrokken uit ons gangbaar taalgebruik: ‘riskant’. Tegenwoordig is een aangelegenheid meteen ‘risicovol’. Daarmee moge de toon gezet zijn: alles en iedereen is tegenwoordig vol van iets. Ondanks dat twintig jaar geleden de leus ‘Vol is vol’ al naar de verdoemenis verwezen werd, kwam ze toch weer via een achterdeurtje terug ons taalgevoel in. Risicovol. Het woord wordt nu zelfs gebruikt in krantenkoppen, dus zal het inmiddels wel algemeen aanvaard taalgebruik zijn.
Er zijn meer voorbeelden. Zo las ik laatst over een humorvolle voorstelling van Max van den Burg. Toen ik hem voor het eerst zag optreden was hij nog humoristisch: het kan verkeren blijkbaar.
Wat zal dan de vol-gende stap zijn? Worden alle woorden die eindigen op -lijk ook ineens -vol? Gevaarvol? Verschrikkevol? Onmiddelvol? (Wat dan eigenlijk een mooie creatieve omschrijving zou zijn voor de gemiddelde kaartverkoop van een groot festival, maar dat terzijde.) Of wat te denken van dat Sinterklaasliedje: 'Verwachtingsvol klopt ons hart, wie de koek krijgt, wie de gard?'
Hoe dan ook, wie deze gang van zaken analyseert, ontdekt meteen een magnetronmaaltijdenmentaliteit bij de meeste mensen. Laten we alle fantastische woorden fantasievol maken, alle riskante woorden risicovol maken en alle andere woorden waar je ‘vol’ achter kunt zetten (behalve volle melk, dus) ook maar -vol als uitgang geven.
Stel je voor dat het Nederlands daarmee begrijpelijker wordt voor iedereen. Dat ons lastige taaltje, dat net zoveel uitzonderingen kent als het gemiddelde wetboek, ineens een zekere vorm van eenvoud krijgt. Zou het daarom niet een volledig fijne ontwikkeling zijn?
[intro]‘Hun verloedere me taal.’ Hoeveel fouten ontdek jij in deze zin? Zelfs als je ze niet kunt verklaren met grammaticale uitleg, voel je dat deze zin van geen kanten klopt. Lydia Rood legt in haar columns de vinger op de zere plek van vele taalkwesties, opgedaan op het werk, in de tram of gewoon thuis.[/intro]
Door Ivar Bos
De taalcolumns, gebundeld in dit boek, las ze voor op de radio bij de Wereldomroep voor het programma Klare Taal. Ze bekeek de Nederlandse taal door de ogen van de luisteraars van de Wereldomroep. Buitenstaanders merken ontwikkelingen namelijk beter op. Een beetje zoals wanneer je iemand maanden niet hebt gezien en dat die persoon twintig kilo is afgevallen. Als je iemand elke dag ziet, merk je het minder snel op. Zo is het ook met taal. En dat weet Lydia Rood met humor te verwoorden. Wat meteen opvalt aan de columns: ze zitten vol met spreektaal.
Zo is het verschil tussen de werkwoorden ‘moeten’ en ‘mogen’ niet altijd zoals je denkt. ‘Mogen’ wordt vaak heel dwingend gebruikt, bijvoorbeeld door politie en artsen. “En dan mag u nu even blazen.” “Dan mag u nu uw onderlijf even vrijmaken en dan mag u daar gaan liggen.” Zo is ‘mogen’ eigenlijk ‘moeten’. Maar het kan ook andersom. “Moet je hier komen, dan masseer ik je.” “Moet je eens bij De Gasterij gaan eten!” Zo wordt ‘moeten’, ‘mogen’.