#steenrijk


923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]In een van onze eerdere woordweetjes gaven we een verklaring voor de woorden 'straatarm' en 'steenrijk'. Voor ‘steenrijk’ gaven we een aannemelijke verklaring, die op diverse plaatsen te vinden is: in de middeleeuwen konden de welgestelden zich stenen huizen veroorloven, terwijl de minder bedeelden het moesten doen met houten onderkomens. Dat klonk goed, maar er blijkt toch een klein probleempje te zijn.[/intro] maurits geerts     Door Maurits Geerts De oudste vermelding van het woord 'steenrijk' in een Nederlandse tekst stamt uit de negentiende eeuw. Dat is rijkelijk laat voor een woord dat zijn oorsprong zou moeten vinden in de middeleeuwen. Het is denkbaar dat een middeleeuwse uitdrukking eeuwenlang mondeling is overgeleverd en pas laat aan het papier is toevertrouwd, maar erg waarschijnlijk is dat niet. Het geheim zit in de klemtoon. We zeggen nu 'steenríjk', met de klemtoon op '-rijk', maar wat als we de klemtoon leggen op 'steen-': 'stéénrijk', ofwel 'rijk aan stenen'. Edelstenen in dit geval. Het Duitse woord steinreich werd oorspronkelijk in de geologie gebruikt voor bodems die rijk waren aan (edel)stenen, en later overdrachtelijk voor mensen die zich sieraden belegd met edelstenen konden veroorloven. Zij waren stéénrijk. Een leenwoord van onze oosterburen, dus! Naar de letter is 'steenrijk' wellicht nu nog van toepassing op onze koningshuizen en het doet me denken aan Liberace … Glitter, glamour, edelstenen, diamanten, dat is steenrijk! Geen bakstenen huis, maar blingbling. Succesvolle rappers zijn waarschijnlijk steenrijk, als ze diamanten in hun tanden laten zetten. De status van 'steenrijk' is van alle tijden. Edelstenen zijn een symbool van rijkdom en welvaart, nog steeds. Heb jij altijd al de herkomst van jouw favoriete woord willen weten? Laat het ons hieronder weten!

923 shares

Ik snap 'm niet

[intro]Wanneer ik vroeger klaagde over moeders sponzige tofublokjes, werd mij steevast de mond gesnoerd. ‘Wees dankbaar dat je te eten hebt,’ zei mijn moeder dan, ‘want de kindertjes in Afrika... die zijn straatarm.’ Dit laatste in tegenstelling tot Robrecht-Flip, onze buurman. Robrecht-Flip woonde in een houten villa voorzien van een geornamenteerde dakkapel. De villa stak hoog uit boven onze stulp. Robrecht-Flip was steenrijk, aldus mijn moeder. [/intro] Door ons team van taaltijgers Nou, dat kan mijn moeder leuk vinden, maar ik voel me iedere maand wel een keer straatarm: meestal ergens in de week voordat mijn salaris wordt gestort. Nét iets teveel buiten de deur gegeten, toch dat leuke jurkje gekocht, drie verjaardagen in één maand ... Je kent dat wel. Totdat mijn salaris is bijgeschreven, dan voel ik me ineens weer steenrijk. Het woord straat vindt, zoals zoveel Nederlandse woorden, haar oorsprong in het Latijn. Het werkwoord sterno betekent 'ik leg neer, ik effen, ik plavei'. Het voltooide deelwoord daarvan is strata. Een via strata is dus een geplaveide weg. In de meeste gevallen (uitzonderingen daargelaten) is iemand die op straat leeft niet in het bezit van een goedgevulde portemonnee. Straatarm zou dus eigenlijk niets anders betekenen dan 'net zo arm zijn als zij die op straat leven'. Toch zijn de etymologen het niet eenduidig met elkaar eens: 'straat' zou ook gewoon simpelweg als versterkend woord ingezet kunnen zijn. Als ik zeg dat ik iedere maand een week ‘straatarm’ ben, is dat natuurlijk niet letterlijk zo. Gelukkig hoef ik niet maandelijks een week lang onder een brug te logeren. In mijn geval zou je dus beter kunnen spreken van ‘knakworstjes-arm’: ik mag blijven wonen waar ik woon, maar eet gewoon een week brood met knakworst, totdat mijn banksaldo weer enig teken van leven vertoont. Maar hoe zit het dan met steenrijk? Ook hier komt de huisvesting weer om de hoek kijken. Je huis zegt namelijk veel over het saldo op je bankrekening. Dat geldt nu voor de grootte van je huis, maar vroeger – lees: in de Middeleeuwen – telde vooral het materiaal waarvan je huis gemaakt was. Gewone bakstenen waren ontzettend duur en dus waren de meeste huizen van hout of van leem; kwetsbaar voor brand.  Alleen de allerrijksten konden stenen betalen. Deze letterlijke steenrijke mensen waren eigenlijk een beetje de Bill Gates van de Middeleeuwen. We blijken rijkdom dus vooral te meten aan onderdak: of je überhaupt een dak boven je hoofd hebt en waar dat dak dan van gemaakt is. Dus, zelfs in mijn knakworstjestijd ben ik dus eigenlijk nog steenrijk te noemen. Always look on the bright side of life! Heb je zelf een interessant woordweetje? Stuur in! Ben je heel benieuwd naar de etymologie van een bepaald woord? Laat het ons weten in de reacties!