923 shares
Ik snap 'm niet
Toen de meiden van Taalvoutjes me vroegen of ik iets wilde vertellen over de herkomst van het woord ‘aarzelen’, heb ik toch wel even getwijfeld. Waarom? De oorsprong is nogal banaal, kinderachtig. Toch moet ik toegeven dat ik stiekem grinnikte toen ik leerde over de afkomst. Dus nou, vooruit dan. Dit is de etymologie van 'aarzelen'. Door Ties Rohof Dat woord dat je tegenwoordig te pas en onpas gebruikt om je onzekerheid mee uit te drukken, heeft een nogal vreemde historie. Aarzelen betekende tot de zeventiende eeuw zoiets als achteruitgaan. Tot zover niks schunnigs. Het smeuïgste aan dit verhaal is dat het woord samenhangt met… de bips, de derrière, het nobele zitvlak, ofwel de aars, aldus Etymologiebank.nl. Deze meldt:- Mnl. eersen aarzelen ww. ‘weifelen’: ‘achteruitgaan’(...)'afgeleid van mnl. ers, aers ‘aars’, zie → aars.'